7 november 2011
Nummer 8
Graven in het verledenWelke epidemie velde Nederlandse kolonisten in Suriname? - Steeds slecht nieuws.
LUMC-poli helpt vrouwen met herhaalde miskramen - Problemen ruimen.
Jonge onderzoekers storten zich op uitdagende wedstrijd
Handwerk
Stuiterende wetenschappers in de dop
Tijdens de Wetenschapsdag op zondag 30 oktober lieten LUMC-afdelingen aan ongeveer drieduizend bezoekers zien wat zij zoal doen. Voor ‘ouderen’ (twaalfplussers) waren er wetenschapscolleges over onder meer de bloeddruk, DNA en gezond oud worden. De jongere bezoekers verlieten dit jaar allemaal stuiterend het LUMC. Met een speurtocht langs de kraampjes konden de onderzoekers, verpleegkundigen en artsen in spe dit jaar namelijk een stuiterbal verdienen.
Van de redactie
Verval
Een vrolijk onderwerp is het niet: de dood. Persoonlijk voel ik me al ongemakkelijk als ik op de radio een reclame voor een uitvaartverzekering hoor. Of als ik het gehavende hoofd van de neergeschoten Muammar Kadhafi groot in beeld zie. Om maar te zwijgen over hoe stil een mens kan worden bij het passeren van patiënten in rolstoelen met infusen, en met opgezwollen lichamen van de chemotherapie. Patiënten van wie sommigen oog in oog staan met de dood.
Maar hoe weinig hij over het algemeen ook verwelkomd wordt; de dood blijft wél fascineren. Met mijn dochtertjes heb ik vorig jaar nog een dode hommel begraven. Vol overgave zongen ze ‘Slaap hommel slaap’. En nog steeds als we de ‘begraafplaats’ passeren staan ze er bij stil. “Heeft Hommel nog wel genoeg te drinken nu? Is hij al grond geworden?”
Hoewel de beroemde Aubrey de Grey onlangs nog in Leiden verkondigde dat we duizend jaar oud kunnen worden en misschien zelfs onsterfelijk (zie pg. 12), ligt de dood vooralsnog voor ieder van ons in het verschiet. Een installatie van de kunstenaar Yerry Ydema hier in de LUMC galerie herinnert ons daar dagelijks aan. Het kunstwerk maakt onderdeel uit van de tentoonstelling Kunstlab, die nog tot en met 13 november te bezoeken is (www.lumc.nl/galerie). Vanuit onze redactiekamer zagen we een draaiarm gipsen mensenmaskers rondslepen over de grond, waardoor die langzaam afsleten. Wat we léken te zien, was het vergaan van de mens. Fascinerend.
Voor de cover van deze Cicero kregen we, behalve de gravende archeologen die er nu op staan, van prof. Jaap van Dissel ook prachtige foto’s van schedels en skeletten tot onze beschikking. Echte botten, waar echte mensen omheen hebben gezeten. Die mensen - Nederlanders die zich in 1845 in Suriname vestigden – stierven aan een epidemie die in twee weken tijd de groep meer dan halveerde. Het moet een drama zijn geweest. Onderzoekers proberen nu, door DNA te isoleren uit hun tanden, te achterhalen waaraan ze precies overleden. Ook hún dood blijft blijkbaar fascineren.
Voor onze cover vonden we de stoffelijke resten toch iets te confronterend. Of zijn we daarmee te voorzichtig? Bij het artikel op de volgende pagina kunt u in ieder geval wat botten in beeld vinden. U bent gewaarschuwd.
Diana de Veld
Top Op de cover
Het grafveld in Suriname aan de rivier de Saramacca. De grafkuilen worden zichtbaar als goedbegrensde donkere vlekken, ontstaan door bijmenging van donkere oppervlaktegrond met lichtere diepere grondlagen bij het graven van de kuilen destijds.
Top Morris Tabaksblat overleden
Niet lang voor het ter perse gaan van dit nummer bereikte ons het droeve bericht dat mr. Morris Tabaksblat, oud-topman uit het bedrijfsleven, voormalig voorzitter van de Raad van Toezicht van het LUMC en voorzitter van de Bontius Stichting, op 20 oktober is overleden. Hij werd 74 jaar. In het volgende nummer van Cicero staan wij stil bij zijn betekenis voor het LUMC.
Top Epidemie op het spoor
LUMC-expeditie zoekt in Suriname naar ziekteverwekker uit 1845
Afgelopen zomer werden in Suriname de stoffelijke resten opgegraven van Nederlandse gelukszoekers. In 1845 wilden zij een kolonie stichten maar een epidemie zaaide dood en verderf. Door welke ziekteverwekker ze geveld werden proberen LUMC-artsen en archeologen nu te achterhalen.
door Raymon Heemskerk
In de zomer van 1845 voer een aantal Nederlandse schepen naar Suriname. Het plan was een kolonie te stichten op de plantage Voorzorg, tegenover de militaire post Groningen, aan de rivier de Saramacca. Maar bij aankomst ging het snel mis. Een epidemie brak uit, waaraan de helft van de bijna vierhonderd kolonisten bezweek. Welke ziekteverwekker hen precies velde, is nooit met zekerheid vastgesteld. Gedacht werd aan buiktyfus, maar Jaap van Dissel, hoogleraar Infectieziekten in het LUMC, twijfelde aan die diagnose toen hij zo’n vijf jaar geleden voor het eerst van deze geschiedenis hoorde van collega-hoogleraar René de Vries (Immunohematologie en Bloedtransfusie).
Rood hemd
Bijna veertig jaar geleden was René de Vries huisarts in Groningen aan de Saramacca. Tijdens een partijtje voetballen verscheen hij een keer in een rood hemd. Hem werd dringend verzocht wat anders aan te trekken. Overleden kolonisten van de buiktyfusepidemie lagen volgens de dorpelingen onder het voetbalveld begraven, en die hielden niet van de kleur rood. ‘Je zou botten breken.’ Dat bracht René de Vries op een idee. Hij nam bloed af van afstammelingen van de kolonisten die de epidemie overleefd hadden, en keek bij hen naar genen die belangrijk zijn voor het afweersysteem, het HLA. Hij vond dat een bepaald HLA-type vaker voorkwam en een ander HLA-type juist ontbrak. Eind jaren zeventig werd daarmee voor het eerst aangetoond dat infectieziekten een belangrijke rol hebben gespeeld bij de evolutie van HLA: verschillende types kunnen de kans op bepaalde ziektes verhogen, of juist verlagen. Als oorzaak van de epidemie nam René de Vries de destijds genoemde buiktyfus aan.
Oude brieven en tekeningen
In zijn vrije tijd stortte Van Dissel zich op de zaak. Hij vlooide door oude documenten in de Universiteitsbibliotheek en het Nationaal Archief in Den Haag, op zoek naar informatie. “Het werd een beetje een obsessie”, geeft Van Dissel toe. “Maar historisch gezien is het ook een erg interessante zaak.” De grote besmettelijkheid, de duur van de ziekte en de zeer hoge sterfte, met name onder kinderen, wezen niet op buiktyfus. Onderzoek aan stoffelijke resten zou mogelijk uitkomst bieden, maar de plaats waar de slachtoffers van de epidemie destijds waren begraven was onbekend. Op basis van oude brieven van het gouvernement en enkele oude tekeningen werd een hypothese opgesteld waar de lichamen begraven moesten zijn. Nederlandse en Surinaamse stichtingen van Boeroes – de benaming voor de nakomelingen van de Nederlandse kolonisten – herdenken de slachtoffers nog ieder jaar. Zij waren enthousiast over het plan om de stoffelijke resten op te graven en na te gaan of de veroorzaker van de epidemie te achterhalen was. Ook de officiële instanties in Suriname gaven toestemming. Versterkt met archeologen Eveline Altena en Axel Muller en IC-verpleegkundige en amateur-archeoloog Philip Pieterse konden de onderzoekers beginnen met graven.
Graven uit één periode
Er zijn op de door Van Dissel en De Vries aangewezen plek al ongeveer zestig graven blootgelegd. “Alle doden waren netjes in een kist begraven. Dat past goed bij de streng Hervormde gemeenschap waaruit de slachtoffers afkomstig waren, en de historische aanwijzingen.” Honderd procent zeker is het niet dat dit slachtoffers van de epidemie zijn, maar alles wijst er wel op. Niet alleen de historische gegevens, maar ook het feit dat er veel graven bijeen liggen uit eenzelfde periode, terwijl er geen officiële begraafplaats op die plek is geweest. Is het niet gevaarlijk om deze stoffelijke resten op te graven? Van Dissel: “Je moet zorgvuldig te werk gaan, maar in de tropen is de kans dat de verwekker van destijds nog leeft, klein. Alleen miltvuurbacteriën kunnen lang overleven, maar daar wijzen de symptomen niet op.”
Tanden
Uit zeventien lichamen werden monsters van tanden genomen voor DNA-onderzoek. Met dit erfelijk materiaal gaat Eveline Altena, promovenda op het laboratorium van LUMC-hoogleraar Peter de Knijff, vaststellen of het om mensen van Nederlandse afkomst gaat. Van Dissel: “We hopen natuurlijk ook DNA van de ziekteverwekker te vinden. Die kans is zeker aanwezig. Als mensen dood gaan aan een bacteriële infectie, dan komt de bacterie vaak in het bloed en de tandwortels terecht. Daaruit kan het eeuwen later nog geïsoleerd worden, als stukjes DNA. Dat was bijvoorbeeld het geval bij slachtoffers van de Europese pestepidemieën.”
Mocht een virus de epidemie veroorzaakt hebben, dan wordt er waarschijnlijk niets gevonden. Virussen gebruiken voor hun erfelijke informatie vaak het kwetsbaarder RNA, dat allang is afgebroken. “Maar ik denk niet dat het een virus is geweest, omdat de epidemie erg plaatselijk is gebleven en er veel slachtoffers vielen. Dan zou een gele koorts-epidemie het meest waarschijnlijk zijn, maar die trof de overlevenden enkele jaren later en valt af.”
Shigella
In samenwerking met de Surinaamse Anton de Kom Universiteit wordt het veiliggestelde DNA onderzocht. De uitslag kan nog wel een jaar op zich laten wachten. Op grond van alles wat hij over de epidemie heeft gelezen denkt Van Dissel dat de Shigella-bacterie weleens de boosdoener zou kunnen zijn. Deze bacterie veroorzaakt een darmontsteking en gaat gepaard met heftige diarree. Als mensen voldoende vocht krijgen toegediend is dit meestal niet dodelijk, maar in primitieve omstandigheden en tropische hitte ligt het wel anders. Van Dissel: “De Shigella-bacterie is erg besmettelijk, er zijn er maar weinig van nodig om iemand ziek te maken. En snelle overdracht van ziekte kenmerkte juist deze epidemie. Je ziet ook dat er tijdens deze epidemie vooral kinderen en ouderen zijn overleden, wat bij Shigellose vaak het geval is, want dat zijn degenen die het snelst aan uitdroging sterven.”
De onderzoekers zullen ook nagaan hoe de slachtoffers genetisch in elkaar zaten. Dat is een mooie aanvulling op het onderzoek dat René de Vries eerder deed. Van Dissel: “Het idee is dat de slachtoffers andere typen HLA hebben dan de mensen die de epidemie overleefden. Nu hopen we te bevestigen dat HLA-factoren mensen inderdaad juist kwetsbaar maakten voor deze ziekteverwekker.”
| |
Zonder slaven
Vier schepen met boeren uit de Gelderse heuvelrug kozen in 1845 het ruime sop om zich in Suriname bij de rivier de Saramacca te vestigen. De slavernij stond op het punt te worden afgeschaft en arme boerengezinnen emigreerden uit Nederland om het Surinaamse land te bewerken. De Nederlandse regering wilde laten zien dat boeren zónder slaven in de tropen de landbouw konden beoefenen. Bij aankomst bleek bitter weinig terechtgekomen van de toegezegde voorbereidingen: de huizen waren niet afgebouwd en de grond was niet ontgonnen. Twee weken na aankomst brak een epidemie uit. Van de 384 kolonisten overleden er 189 in enkele weken. De kolonie werd in 1853 opgeheven. Van de overlevenden ging een deel terug naar Nederland. De kolonisten die in Suriname bleven, de Boeroes, kochten grond rond Paramaribo. Hun nakomelingen zijn nu geïntegreerd in de Surinaamse samenleving. |
Top Wisselcolumn - De Estafette
In De Estafette geven mensen hun mening over een maatschappelijk relevant aspect van de gezondheidszorg. Vervolgens dragen zij het stokje over aan iemand van wie ze wel eens meer willen horen. Deze keer is het woord aan Ben Nijman, Manager Zorg divisie 1 (LUMC).
Aan de beterende hand?
Het ziekenhuis als patiënt heeft nog een lange weg te gaan als het om genezing gaat. Aan de beterende hand zijn we nog maar nauwelijks. De koorts lijkt te dalen zonder dat we echt weten welk deel van onze kleurrijke therapie een heilzaam effect heeft. Ondertussen worden we links en rechts bedreigd door bezuinigingen, marktwerking, personeelstekort, streng toezicht, hitlijsten, veeleisende klanten en nog veel meer.
Hebben we koorts dan? (Klinkt het best met een Leids accent.) Nog niet iedereen is zich bewust dat er überhaupt iets aan de hand is. Los van de hiervoor genoemde bedreigingen moet ik helaas melden dat er zeker wat loos is. Zaken waar dokters, verpleegkundigen, secretaresses en logistiek medewerkers iedere dag tegenaan lopen. Ze hebben het al geaccepteerd als feit want zo gaat dat nou eenmaal in een grote organisatie. De lange lijnen, de vele schijven waarover besluitvorming plaatsvindt en het onvermogen het werk ‘gewoon’ goed te organiseren. Veilig voor onze patiënten, naar tevredenheid van de patiënten en medewerkers en met een goed financieel resultaat. Klinkt volgens mij heel bekend.
Aan de beterende hand of ‘On the mend’ luidt de titel van een boek dat ik onlangs gelezen heb. Het stond al enige tijd op mijn lijstje. Toen ik van de schrijver John Toussaint een lezing bij ging wonen heb ik het boek snel geleend van een collega. In één woord: inspirerend! Toussaint, arts, beschrijft zijn ervaringen als directeur van een groot ziekenhuis in de VS. Het ziekenhuis wist in tien jaar tijd met methodes en technieken uit de industrie een proces van verbetering op gang te brengen waarbij de kwaliteit aanzienlijk omhoog ging, de kosten daalden, de inkomsten stegen en de medewerkers gelukkiger werden. GHHHAAAAAAAAAP hoor ik een aantal van u doen. Weer een manager die gaat vertellen dat bezuinigen een uitdaging is. Uw credo: seen it, been there, etc. Mijn antwoord: but you’re not doing it tomorrow!
Wat maakt dit verhaal de moeite waard? Het antwoord is simpel. Het gaat over intens gericht zijn en verbeteren. Hoe? Door heldere doelen voor de hele organisatie te formuleren die écht iedereen begrijpt. Door de afstand tussen de patiëntenzorg en de leiding te minimaliseren. Door kwaliteit niet weg te organiseren in commissies en papier, leiding en vergaderingen maar door kwaliteit een onderwerp van gesprek te maken daar waar het (niet) geleverd wordt. Hogere wiskunde? Nee, grotendeels boerenverstand.
Terug naar onze patiënt. Er is natuurlijk van alles te nuanceren. Zo ziek zijn we toch niet en we doen toch prachtige dingen? Allemaal waar. Maar is het genoeg? ….Een cliffhanger kan ik het niet echt noemen. Wilt u meer weten? Lees ‘On the mend’ van John Toussaint, bezoek de website www.createhealthcarevalue.com of kom eens bij me langs op K6.60. Of beter nog: ik kom graag eens bij u langs! Tot slot: wie is die man die dit allemaal roept? Het antwoord: iemand die zelf nog veel te leren en te verbeteren heeft. Zullen we het samen doen?
Ben Nijman draagt het stokje over aan Alexandra van Leeuwen, Manager Voeding bij directoraat Facilitair Bedrijf (LUMC).
Top Prognose bij reuma
Het beloop van reuma is wisselend. Bij sommige patiënten blijven de symptomen mild en is de ziekte goed onder controle te houden. Bij anderen neemt de ziekte echter ernstige vormen aan. Hoe kun je dat voorspellen? “Sinds een jaar of vijftien weten we dat de aanwezigheid van de antistof ACPA, oftewel anti-gecitrullineerd-eiwit-antilichaam, een slechtere prognose voorspelt. Ongeveer de helft van de de reumapatiënten heeft zulke ACPA-antistoffen”, vertelt prof. René Toes (Reumatologie). “Zij worden ernstiger ziek.” Maar ook sommige patiënten zónder ACPA-antistoffen krijgen veel last. LUMC’ers hebben nu een nieuwe antistof ontdekt die voor deze groep patiënten voorspellende waarde heeft. Ze publiceerden hierover onlangs in de Proceedings of the National Academy of Sciences.
“Het gaat om de antistof anti-CarP, oftewel anti-gecarbamyleerd-eiwit”, zegt dr. Leendert Trouw (Reumatologie). “Het richt zich tegen eiwitten die door een enzym veranderd zijn, net als ACPA. In beide gevallen is één aminozuur vervangen door een ander. Anti-CarP herkent eiwitten die gecarbamyleerd zijn, bij ACPA gaat het om gecitrullineerde eiwitten.” De veranderde eiwitten kunnen alleen door antistoffen herkend worden als ze buiten de cel treden. Dat kan gebeuren bij ontstekingsreacties, zoals in de gewrichten van reumapatiënten. Of de veranderde eiwitten zelf ook bijdragen aan het ziekteproces is nog onduidelijk. Voor ACPA zijn eerder al wel aanwijzingen gevonden dat dat zo is. Zo bleken muizen die ACPA ingespoten kregen, ontstoken gewrichten te ontwikkelen.
Mochten andere studies de voorspellende waarde van anti-CarP bevestigen, dan zou de behandeling van reuma misschien aangepast kunnen worden als patiënten positief scoren voor anti-CarP. “Als je ernstiger klachten verwacht, dan kun je wellicht meer en eerder medicijnen voorschrijven”, aldus Trouw. “Maar voordat we zoiets in praktijk kunnen brengen is er nog een lange weg te gaan.” (DdV)
Top Supermicroscopen in NeCEN
Op 27 oktober opende het Netherlands Centre for Electron Nanoscopy (NeCEN) in Leiden zijn deuren. Hier staan de meest geavanceerde microscopen ter wereld. Door in te zoomen op de kleinste details kunnen ziektes hopelijk beter begrepen worden. Zie ook Cicero nr. 1 van dit jaar. (RH)
Top Kort nieuws pagina 7
Hoogleraar in brandwonden
Roelf Breederveld (60) is voor vijf jaar benoemd tot bijzonder hoogleraar Acute Brandwondengeneeskunde. De Nederlandse Brandwonden Stichting heeft deze leerstoel voor vijf jaar ingesteld op de afdeling Heelkunde van het LUMC. Breederveld zal zich een dag per week bezig gaan houden met onderwijs en onderzoek op het gebied van acute brandwonden. In het LUMC gaf hij hier al colleges over, maar niet bij alle UMC’s zit brandwondenzorg in het curriculum. “De bedoeling is dat er straks een standaardmodule is over brandwonden die de UMC’s uit de kast kunnen trekken”, vertelt Breederveld. Verder gaat hij werken aan een e-learningmodule. “Die kan gebruikt worden om de kennis op peil te houden en te toetsen bij mensen die zich met de eerste opvang van brandwondenpatiënten bezighouden.” Het onderzoek dat Breederveld doet, spitst zich toe op patiëntencomfort en de kosteneffectiviteit van brandwondbehandelingen. “We kijken of dankzij nieuwe verbandmiddelen patiënten eerder onder poliklinische behandeling gesteld kunnen worden. Ook kan de intensiteit van de zorg mogelijk omlaag doordat de wond niet elke dag opnieuw verbonden hoeft te worden.” Naast de ene dag in het LUMC werkt Breederveld in het brandwondencentrum te Beverwijk. Hij is opgeleid als traumachirurg en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie. (RH)
Nobelprijswinnaar en Leiden
De eerste openbare lezing over de ontdekking van de dendritische cel, waarvoor prof. Ralph Steinman dit jaar de Nobelprijs kreeg, werd in Leiden gehouden. Tijdens de Second Conference on Mononuclear phagocytes, georganiseerd door prof. Ralph van Furth en prof. Zanvil Cohn (Rockefeller Unifersity, New York), hield Steinman op 2 september 1973 in het voormalige Eysingahuis de lezing Dendritic Cells, Reticular Cells and Macrophages. Hierna is Steinman vaak in Leiden geweest, bijvoorbeeld tijdens de volgende drie congressen over mononucleaire fagocyten. Toen Steinman in 2010 de Heinekenprijs kreeg, hield hij in Leiden een voortreffelijke overzichtslezing over dendritische cellen. Zijn overlijden op 10 oktober jongstleden, drie dagen voordat bekend werd dat hij de Nobelprijs won, wordt intens betreurd. (RvF)
Nieuw hoofd Longziekten
De afdeling Longziekten heeft sinds 1 oktober een nieuw afdelingshoofd: prof. Christian Taube. Evenals de vorig jaar vertrokken prof. Klaus Rabe is hij afkomstig uit Duitsland, om precies te zijn uit Mainz.
Waarom bent u hierheen gekomen?
Hier kan ik meer tijd en aandacht in onderzoek steken, dus academischer werken. Leiden is vooraanstaand in immunologisch onderzoek; dat trok mij. Er zijn hier verschillende groepen, immunohematologie, parasitologie, reumatologie, waarmee ik graag wil samenwerken.
Wat zijn uw plannen met Longziekten?
Ik wil graag verder met de obstructieve longziekten. Hier kan ik samenwerken met Pieter Hiemstra, gespecialiseerd in de immunologie van longziekten, en met Jan Stolk, die onderzoek doet naar een bepaalde ondersoort van COPD. Ik hoop dat ons onderzoek leidt tot nieuwe en betere behandelmethoden.
Gaat u zelf ook patiënten zien?
Ja, dat is zeker de bedoeling, als ik beter Nederlands geleerd heb. Ik heb twee weken een cursus gedaan in Den Bosch. (MvB)
Reiber koninklijk onderscheiden
Prof. Hans Reiber heeft op 13 oktober een koninklijke onderscheiding gekregen uit handen van de burgemeester van Leiden. Reiber is benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Reiber is sinds augustus dit jaar met emeritaat. Hij wordt wereldwijd erkend als pionier en autoriteit op zijn vakgebied: klinische toepassingen van beeldanalyse. Reiber was werkzaam bij de afdeling Radiologie en hoofd van het Laboratorium voor Klinische en Experimentele Beeldverwerking.
Top Uit de geldboom
Prof. Jasprien Noordermeer en dr. Lee Fradkin van de afdeling Moleculaire Celbiologie hebben een subsidie van bijna 280.000 dollar verworven van de Muscular Dystrophy Association (MDA).
Prof. Bart Roep krijgt een Amerikaanse subsidie ter waarde van 600.000 euro van de Juvenile Diabetes Research Foundation International voor onderzoek naar eilandjestransplantatie.
Dr. Jeroen Laros (Humane Genetica) heeft een subsidie toegekend gekregen van het NWO-programma Forensic Science. Het geld wordt besteed aan het analyseren van al het aanwezige DNA in een forensisch spoor.
De wetenschappelijke adviesraad van het Van de Kampfonds heeft subsidies toegekend aan LUMC-onderzoekers dr. Christi van Asperen (Klinische Genetica) en dr. Linda van den Berg (Kindergeneeskunde/ Humane Genetica). Van Asperen doet onderzoek naar erfelijke factoren bij borst- en eierstokkanker. Van den Berg onderzoekt obesitas bij kinderen.
Top In de prijzen
Dr. Onno Meijer (Apotheek) heeft de de Farmacologie-prijs van de Nederlandse Vereniging voor Farmacologie gewonnen.
Dr. Annemieke Aartsma-Rus, universitair hoofddocent bij de afdeling Humane Genetica, ontving de Duchenne Award 2011.
Prof. Johan den Dunnen (Humane Genetica) ontving tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Human Genome Variation Society (HGVS) in Montreal de HGVS-award. Hij kreeg de prijs voor zijn werk om te komen tot een wereldstandaard op het gebied van het beschrijven en opslaan van veranderingen in DNA.
Dr. Ton van den Besselaar (Hematologie) heeft de Jordanprijs gekregen uit handen van de Federatie van Nederlandse Trombosediensten (FNT).
Dr. Arjan te Pas (Kindergeneeskunde) ontving de postdocprijs van de European Society for Pediatric Research. Te Pas kreeg de prijs voor zijn baanbrekende onderzoek naar de opvang van premature pasgeborenen direct na de geboorte.
Tijdens het zestiende World Muscle Society congres in Portugal vielen maar liefst drie mensen van de afdeling Humane Genetica in de prijzen. Dr. Richard Lemmers ontving de President’s Prize for Young Myologist of the Year voor zijn bijdrage aan het onderzoek naar de spieraandoening FSHD. Promovendi Dwi Kemaladewi en Maaike van Putten ontvingen respectievelijk de President’s prize for a first time presenter en een poster-award.
Maria Kaisar, promovenda bij de afdeling Parasitologie, heeft op 6 oktober tijdens het 7th European Congress on Tropical Medicine & International Health de posterprijs gewonnen.
Geneeskundestudent Yotam Raz heeft tijdens de autumn meeting van de British Geriatric Society de Norman Exton Smith Prize gewonnen. Hij kreeg deze posterprijs voor zijn onderzoek naar afweerresponsen van het nageslacht van langlevende families.
Top Onderwijsdirecteur vertrekt
Janneke Kuijken, sinds 2004 directeur Onderwijs en Opleidingen in het LUMC, aanvaardde per 1 november een nieuwe functie bij Omring, een grote aanbieder van verpleging, verzorging en thuiszorg in Noord-Holland. Ze wordt daar directeur Personeel en Organisatie.
Wat laat u hier achter?
Ik heb me vooral bezig gehouden met het organiseren en samenvoegen van de verschillende onderwijs- en opleidingsafdelingen tot het directoraat Onderwijs en Opleidingen (DOO). Daarin komen drie kerntaken (onderwijs, opleiding en nascholing) samen. DOO kwam in 2009 tot stand, na jaren van intensieve voorbereiding. Het was spannend om te doen en het heeft ons duidelijk verder geholpen. Organisatie en planning zijn geprofessionaliseerd en we profiteren van elkaars expertise. Onderwijs heeft een meer centrale plek gekregen, dat is een goede ontwikkeling.
Hoe was het contact met de studenten?
Heel positief. Ik had vooral met ze te maken door het overleg met het M.F.L.S.-bestuur. Studenten zijn kritisch maar constructief. Ze hebben veel ideeën en ook veel mogelijkheden, dat valt me steeds op. Ik vind het bijzonder hoe het LUMC ze bij het onderwijsbeleid betrekt en hoe ze daar zelf vorm aan geven.
En hoe staan de andere opleidingen ervoor?
Heel goed. Er is een enorme ontwikkeling gaande bij de verpleegkundige opleidingen en in de bij- en nascholing. Het aantal activiteiten stijgt, de omzet ook, en we barsten uit het onderwijsgebouw.
Is de samenwerking in de regio verbeterd?
Ook de OOR (onderwijs- en opleidingsregio – red.) ontwikkelt zich snel, vooral in de medische vervolgopleidingen. Ik ben heel blij dat we hier nu één regionale pool van onderwijskundigen hebben.
Zijn er ook dingen die beter kunnen?
De verpleegkundige opleidingen moeten nog beter verankerd raken in de organisatie. Concreet: het is nu moeilijk om docenten te vinden. Opleiding is een pijler onder de organisatie, daarvan zou men zich nog beter bewust moeten zijn. Ook in tijden dat financieel alles onder druk staat.
Waarom gaat u eigenlijk weg?
Tja, het kost me best moeite. Maar ik ben een veranderaar. Ik zit meestal niet langer dan zeven jaar op één plek. Als ik hier langer zou blijven, zou ik niet meer hetzelfde enthousiasme kunnen opbrengen als de afgelopen jaren. Dus het is tijd voor een ander. De werving is in volle gang. (MvB)
Top Nieuw, vernieuwend lab
Op 6 oktober opende het LUMC een nieuw bacteriologisch laboratorium voor de diagnostiek van infectieziekten. Daarmee is het LUMC een van de eerste Nederlandse ziekenhuizen die beschikken over een volledig geautomatiseerd systeem voor bacterieel kweekonderzoek, in combinatie met innovatieve technologie voor massaspectrometrie.
Het nieuwe bacteriologische laboratorium kan bij een infectie nog sneller en betrouwbaarder vaststellen om welke bacterie het gaat, en wat de gevoeligheid is voor antibiotica. Patiënten zullen dit merken, vertelt arts-microbioloog Ed Kuijper. “Sinds de introductie van massaspectrometrie is de doorlooptijd verkort van vier naar drie dagen, en dat zal verder verbeteren. Het uiteindelijk streven is een rapportage binnen 24 uur. Voor bloedmonsters waarin bacteriën aanwezig zijn, is dat al mogelijk.” Artsen kunnen bovendien sneller en beter advies verwachten, doordat er een directe link is tussen de laboratoriumuitslagen en de klinische gegevens van de betreffende patiënt in het nieuwe ziekenhuisinformatiesysteem.
Basis voor deze veranderingen is een labautomatiseringssysteem, waarbij laboratoriummedewerkers hun vaste werkplek hebben. Intussen worden kweekplaten met bacteriën via een lopende band automatisch gekweekt, gefotografeerd en daarna bij de betreffende medewerker gebracht. Een grote groep medewerkers was betrokken bij de implementatie van dit systeem.
De automatische werkwijze geeft veel ruimte voor innovatie en maakt het mogelijk om nieuwe technologie snel toe te passen. “Dat was de belangrijkste reden voor de verbouwing. We willen vernieuwend en toonaangevend zijn”, aldus Kuijper. “Het LUMC was in 2008 de eerste die massaspectrometrie gebruikte voor de identificatie van bacteriën. Dat bleek revolutionair. In ons nieuwe lab is deze technologie opgenomen in onze standaardprocedures. Daarnaast doen we in samenwerking met de groep van professor André Deelder van Parasitologie onderzoek naar mogelijkheden om deze technologie verder te ontwikkelen, met name voor de aanpak van multiresistente bacteriën. Dankzij dit systeem hebben we in Europa voor het eerst een voorsprong op het gebied van medische microbiologie ten opzichte van de Verenigde Staten.”
Uiteindelijk moet het nieuwe lab ook leiden tot een kostenreductie en capaciteitsvergroting. Dat laatste biedt bovendien de mogelijkheid tot intensieve samenwerking met laboratoria uit de regio, voor wie innovatieve technologieën vaak een te grote investering zijn. Dit kan ook voor de regio een belangrijke kostenbesparing opleveren. (EvdB)
Top Ghanees avontuur levert proefschrift en roman
De mens kan behoorlijk lang leven. Decennia langer dan wat biologen onze reproductieve leeftijd noemen, de periode waarin wij kinderen krijgen. Maar hoe kan zo’n lange levensduur, die ook genetisch bepaald is, evolutionair ontstaan zijn? Evolutie selecteert immers op reproductief succes: aantallen (klein)kinderen. David van Bodegom promoveerde op 2 november op onderzoek dat nieuw licht werpt op ons lange post-reproductieve leven.
“In een monogame samenleving is de vrouw meestal even oud als haar echtgenoot en zijn mannen effectief steriel na hun vijftigste. In Nederland wordt 1 procent van de kinderen verwekt door een man die ouder is dan vijftig. Maar in een polygame samenleving zoals in Noord-Ghana, waar ik mijn onderzoek deed, is dat heel anders. De meeste mannen trouwen daar na hun dertigste, als zij de bruidsschat van vier koeien bij elkaar hebben. Maar als het goed met hen gaat, kunnen ze later nog een paar keer trouwen, telkens met een vruchtbare jonge vrouw. In ons onderzoek bleek dat 18,4 procent van de kinderen verwekt was door een man ouder dan vijftig. De genen voor een lang leven worden dus ruimschoots doorgegeven. Het is gewoon evolutionaire selectie die ervoor gezorgd heeft dat wij zo’ n lange levensverwachting hebben”, aldus Van Bodegom, die inmiddels werkzaam is in de door zijn promotor prof. Rudi Westendorp opgerichte Leyden Academy on Vitality and Ageing. Dat onze voorvaderen polygaam waren, blijkt uit de mutatiesnelheid in het Y-chromosoom dat alleen van vader op zoon wordt doorgegeven en in het DNA van de mitochondriën (de energiecentrales in de cel) die wij allen van onze moeder erven. De huidige mens blijkt bijna twee keer zoveel ‘voormoeders’ als ‘voorvaders’ te hebben. Van Bodegom vond in Ghana geen enkele steun voor de zogeheten grandmother hypothesis, die stelt dat grootmoeders de overlevingskansen van hun kleinkinderen bevorderen. De overleving van Ghanese kinderen hangt niet samen met de aanwezigheid van een oma.
De zes jaar waarin Van Bodegom regelmatig terugkeerde naar Afrika hebben niet alleen een wetenschappelijk resultaat gehad, maar ook literaire gevolgen: zijn roman ‘Nood breekt wet’, die begin 2012 verschijnt, gaat over een jonge arts in een Afrikaans missieziekenhuis. ‘Het is een overrompelend verhaal over de houdbaarheid van idealen in een chaotische wereld, geschreven door iemand die zelf als idealist naar Afrika ging en terugkeerde als een begenadigd literair auteur’, aldus de ‘trailer’ van uitgeverij Prometheus. (PvM)
Top Bevallen met een ballonnetje
Gerommel in de buik, voorweeën: voor zwangere vrouwen is het een teken dat de bevalling aanstaande is. Maar soms zet het proces niet goed door, of zijn er medische redenen om de bevalling sneller op gang te krijgen. Bijvoorbeeld als het kind in nood is. In zulke gevallen kan een bevalling worden ingeleid. “Dat gebeurt vaak door een hormoongel op de baarmoederhals te smeren”, vertelt dr. Kitty Bloemenkamp (Verloskunde). “De prostaglandines die daarin zitten brengen de weeën op gang.”
Maar er is ook een oude, mechanische techniek om de bevalling in te leiden: de ballonkatheter. “Je brengt dan een slangetje met een klein ballonnetje aan het uiteinde in de baarmoederhals in”, legt Bloemenkamp uit. “Vervolgens blaas je de ballon op. Dan gebeuren er twee dingen: ten eerste zorgt de ballon voor het vrijkomen van natuurlijke prostaglandines die de rijping van de baarmoedermond versnellen. Tegelijkertijd geeft de ballon druk, waardoor er ontsluiting komt.”
De ballonkatheter werd lange tijd afgeraden, omdat het inbrengen van een vreemd voorwerp de kans op infecties zou vergroten. “Wij wilden eens uitzoeken of dat inderdaad zo was, en welk van beide methoden – hormoongel of ballonkatheter – nou eigenlijk het effectiefst was.” Zonder subsidie vergeleek het Verloskundig Consortium onder leiding van Bloemenkamp de twee methodes onder 824 bevallende vrouwen in twaalf Nederlandse ziekenhuizen. Zij moesten allen worden ingeleid. Bij de helft werd daartoe een ballonkatheter ingebracht; de andere helft kreeg een gel met prostaglandine E2 aangebracht op de baarmoederhals. Uiteindelijk werden in beide groepen evenveel bevallingen zonder keizersnede voltooid, een belangrijke uitkomstmaat. Wel duurde de bevalling bij de ballonkathetergroep iets langer.
“De ballonkatheter bleek ook minder bijwerkingen te hebben dan de hormoongel”, voegt Bloemenkamp toe. “Er trad minder vaak hyperstimulatie op: te veel weeën. Daardoor kwam de baby minder vaak in nood en hoefden minder kunstverlossingen te worden verricht. Bovendien belandden minder kinderen op de Neonatologie-afdeling. Ook de moeders waren beter af: zij verloren minder bloed na de bevalling. En hoe zat het met het aantal infecties? “Dat was in beide groepen gelijk. Geen reden dus om de ballonkatheter af te raden.” Bloemenkamp en haar collega’s publiceerden hun bevindingen eind oktober in de Lancet.
Hormoongels werden in de jaren negentig geïntroduceerd, zonder dat goed vergelijkend onderzoek verricht was. “Nu gebleken is dat hormoongel meer bijwerkingen geeft, zou de praktijk wellicht moeten worden aangepast”, vindt Bloemenkamp. De ballonkatheter is overigens goedkoper dan hormoongel. (DdV)
Top ‘Omgaan met borstkanker’ op dvd
Waarom persoonlijk langskomen als je ook een dvd kunt sturen? De dienst Maatschappelijk Werk heeft een dvd uitgebracht waarmee collega’s in andere ziekenhuizen een cursus ‘Omgaan met borstkanker’ kunnen opzetten. Samen met nurse practitioner (verpleegkundig specialist) Aukje Does van het Diaconessenhuis Leiden biedt Maatschappelijk Werk de cursus al sinds 2005 aan. Hij bestaat uit negen bijeenkomsten en is bedoeld voor vrouwen die een behandeling voor borstkanker achter de rug hebben.
“Het is een psycho-educatief nazorgprogramma dat vrouwen handvatten geeft om hun leven weer op te pakken”, vertelt Marion Wiesenhaan, maatschappelijk werker en een van de cursusleiders. “Mensen hebben het gevoel dat ze de controle verliezen door een levensbedreigende ziekte. Door ze verschillende manieren van verwerken aan te reiken, krijgen ze een stukje van die controle weer terug.” Daarnaast wordt er ook veel voorlichting gegeven: over de ziekte, verschillende behandelingen, plastische chirurgie, maar bijvoorbeeld ook over goede voeding en regelmatig bewegen.
Anneke Jongens, hoofd van de dienst Maatschappelijk Werk, en Wiesenhaan hebben gemerkt dat vrouwen zich na de cursus weerbaarder voelen en beter in hun vel zitten. Dat blijkt ook uit onderzoek van de afdeling Medische Psychologie. “Veel vrouwen gunnen zichzelf echter niet de tijd om te herstellen van wat ze is overkomen. Zij lopen daardoor kans om een depressie te ontwikkelen. Met de cursus willen we dat voorkomen.” Het zou goed zijn als meer vrouwen de kans krijgen de cursus te volgen, zeggen Jongens en Wiesenhaan. Met een subsidie van stichting Pink Ribbon heeft het LUMC daarom onder meer deze dvd ontwikkeld waarmee andere professionals de cursus in hun eigen ziekenhuis kunnen opzetten. De dvd bevat niet alleen de volledige cursus, maar ook ervaringen van deelnemers en een uitgebreide handleiding. “De dvd besteedt veel aandacht aan het opzetten van zo’n groep, het werven van deelnemers, het voeren van intakegesprekken, enzovoort. Ze kunnen er meteen mee aan de slag.”
Jongens en Wiesenhaan verwachten dat de cursus ook in andere ziekenhuizen zal aanslaan. “We sluiten aan bij hulpverleners die er al zijn, het kost weinig en het is efficiënt omdat je veel mensen tegelijkertijd ziet. Maar het belangrijkste is dat deze vrouwen weer zelf de regie krijgen over hun leven. We hopen dat dit als een sneeuwbal uitrolt naar de verschillende ziekenhuizen.” De dvd is voor tien euro verkrijgbaar via het secretariaat van de dienst Maatschappelijk Werk en patiëntenservice: (071) 5263040. (CvdS)
Top Hoe cellen ontsporen
Kankercellen ontstaan door schade aan het DNA óf door een verkeerde verdeling van de chromosomen over de dochtercellen, dachten onderzoekers tot nu toe. Leidse en Utrechtse wetenschappers ontdekten echter dat van een het een het ander komt. Eind september publiceerden ze hierover in Science. Als een cel deelt, geeft hij evenveel chromosomen aan beide dochtercellen. Soms gaat er wat mis en belanden in de ene dochtercel meer chromosomen dan in de andere. Dit kan het begin zijn van een kankercel: deze raakt uit balans en begint on geremd te groeien. Een kankercel kan ook ontstaan doordat het DNA van het chromosoom beschadigd raakt en niet goed wordt gerepareerd. Wetenschappers namen tot nu toe aan dat deze twee ontstaanswijzen van tumorcellen gescheiden van elkaar plaatsvonden. Dat blijkt toch niet het geval, ontdekten de Leidse en Utrechtse onderzoekers. Als de chromosomen verkeerd worden verdeeld over de dochtercellen, ontstaat meestal ook DNA-schade die kan leiden tot een verkeerde reparatie, waarna de cel zich ontwikkelt tot een tumorcel.
De onderzoekers behandelden menselijke pigmentcellen uit het oog – een gebruikelijke cellijn in onderzoek – met Monastrol, een chemische stof die de verdeling van de chromosomen over de dochtercellen verstoort. Daarna registreerden ze wat er met deze cellen gebeurden. In 80 procent ging de verdeling van de chromosomen inderdaad mis en leidde dit tot afwijkende celkernen. In 70 procent van deze celkernen was DNA-schade te zien. “Dat is een onmiddellijk gevolg van een verkeerde chromosoomverdeling”, aldus Karoly Szuhai, senior onderzoeker bij Moleculaire Celbiologie van het LUMC. Een belangrijke ontdekking. “Het betekent dat cellen die hun chromosomen verkeerd verdelen over de dochtercellen, zich sneller tot een tumorcel kunnen ontwikkelen dan aanvankelijk gedacht, omdat er twee processen tegelijk spelen”, aldus Szuhai. “Vanwege hun snelle evolutie kunnen deze cellen ook eerder resistent worden tegen chemotherapie.” Of het omgekeerde ook plaatsvindt, DNA-schade leidt tot een verkeerde verdeling van de chromosomen over de dochtercellen, weet Szuhai niet. “Het lijkt me heel aannemelijk, maar we hebben dat niet onderzocht.” (AS)
Top Leren leven met Parkinson
door Christi Waanders foto Marc de Haan
“Maak Parkinson bespreekbaar. Ga er zorgvuldig mee om, maar maak er vooral ook een grap over.” Dat is het motto van Geert Jan Koster, Parkinsonpatiënt sinds 1998. Koster is zo vriendelijk om me na de train the trainer PEPP-bijeenkomst (zie kader) op deze woensdagochtend zijn verhaal te vertellen. Hij viel me al op tijdens de oefensessie vanwege zijn openheid en humor. Koster praat makkelijk over zijn ziekte. “Dat is misschien wel het belangrijkste dat ik destijds zelf heb geleerd toen ik als patiënt de PEPP-cursus volgde, namelijk hoe je met je ziekte om kunt gaan. De cursus maakte me vertrouwd met de ziekte en gaf handvatten, zodat ik er zelf mee aan de slag kon.”
Meer inzicht
Geert Jan Koster is nu 67 jaar. Hij was werkzaam als personeelsadviseur en had een drukke baan. Zijn ziekte dwong hem vervroegd te stoppen. Koster deed aan een van de eerste PEPP-cursussen mee en leerde zo Noëlle Spliethoff kennen. Hij verleent nu al voor de zesde of zevende keer zijn medewerking als ‘oefenpatiënt’ in de training voor aanstaande PEPP-trainers. “Ik wil graag mijn bijdrage leveren en hoop met mijn verhalen de zorgverleners meer inzicht in de ziekte van Parkinson te geven.”
Vandaag is het dag twee van de train the trainer PEPP voor zorgverleners die met Parkinsonpatiënten werken. Dat zijn bijvoorbeeld verpleegkundigen of fysiotherapeuten die gewend zijn een-op-een met patiënten te werken. In deze training leren ze om de PEPP-cursus te geven aan een groep patiënten of hun partners. Het bijzondere van deze training is dat er echte patiënten en partners zijn om mee te oefenen. De groep is opgesplitst in tweeën. In de ene zaal oefent de helft van de cursisten met het programma voor patiënten, de anderen oefenen met het programma voor de partners.
Parkinson als vriend
Voor de aanstaande trainers is een groep wel even wennen. Zeg je u of jij? Hoe betrek je de niet-praters bij het gesprek? En hoe zorg je dat je je aan de tijd houdt? Door de aanwezigheid van de Parkinsonpatiënten zijn de gesprekken al direct persoonlijk, maken indruk. Zo vertelt een patiënte dat ze van Parkinson een vriend heeft gemaakt, die ze altijd bij zich heeft. Ervaren de anderen dat ook zo, vraagt de trainer in spe? “Nou, ik heb Parkinson wel altijd bij me, maar een vriend zal het nooit worden.”
Na afloop drukt Geert Jan Koster me op het hart dat ik vooral moet noemen dat mensen de dingen moeten blijven doen die ze leuk vinden. “Kijk naar wat je wel kunt, niet naar wat je niet kunt.”
|
Patiënten meer mens maken
Hoe ga je om met een chronische aandoening? En wat voor effect heeft dat op de partner? Daar wil het PEPP-programma handvatten voor bieden. “Ik ben ervan overtuigd dat mensen er baat bij hebben als je ze leert meer de regie te nemen in allerlei zaken rond hun chronische ziekte. Bij dit programma draait het erom dat je de patiënt ‘ontpatiënt’. Maak ze meer mens, minder hun ziekte.” Aan het woord is dr. Noëlle Spliethoff-Kamminga, bedenker van het Patiënt Educatie Programma Parkinson (PEPP) en redacteur van het gelijknamige handboek. In oktober vond in het LUMC de tiende editie van dit programma plaats. Het betreft een praktisch train the trainer-programma dat al meer dan 230 zorgverleners uit het hele land tot PEPP-trainer opleidde. Na deze training zijn de zorgverleners gecertificeerd trainer en kunnen zelfstandig een PEPP-cursus geven aan een groep patiënten of aan een groep partners van patiënten.
Psychische aspecten
“Onderscheidend aan dit programma is dat het zich tevens richt op de partner. Want ook partners komen vaak bij de huisarts, met klachten die vaak niet herkend worden als overbelasting”, legt Spliethoff-Kamminga uit. Zij geeft de training samen met Jacqueline Bustraan, werkzaam als onderwijskundige bij het Onderwijs Expertise Centrum en bij Boerhaave Nascholing. Bustraan: “Boerhaave Nascholing verzorgt deze tweedaagse training. Op de eerste dag besteden we aandacht aan medische, didactische en psychische aspecten. En op de tweede dag brengen we het geleerde in de praktijk en oefenen we met ‘echte’ patiënten en partners. Dat zijn mensen die zelf ooit een PEPP-cursus hebben gevolgd. Het is heel bijzonder dat die mensen hieraan mee willen werken.” Spliethoff-Kamminga is momenteel samen met Bustraan het handboek aan het herschrijven voor een bredere doelgroep. “Dit is zó’n zinvol psycho-sociaal educatieprogramma. Dat kun je toepassen op alle chronische aandoeningen.” |
Top Lang leven als bijeffect
100 of 1000, what’s in a number? Nogal wat als het gaat om hoe oud we kunnen worden.
Volgens Aubrey de Grey (48 jaar) zou het aantal kaarsjes op de verjaardagstaart binnenkort weleens tot duizend kunnen oplopen. Op 11 oktober was hij spreker op een lezing van de Leyden Academy on Vitality and Ageing. De bebaarde ouderdomskundige schat de kans op 50 procent dat de eerste persoon die duizend jaar oud zal worden nu al geboren is. Hij reist de wereld af om geld in te zamelen voor zijn in Californië gevestigde SENS Foundation, een non-profit organisatie die onderzoek doet naar verjonging. De voormalige computerwetenschapper denkt dat de vooruitgang in het verjongen van mensen hard zou kunnen gaan. “De eerste persoon die duizend jaar oud wordt is misschien maar twintig jaar later geboren dan de eerste die de 150 haalt.”
Voor het zover is moeten er nog heel wat hindernissen genomen worden. Rudi Westendorp, hoogleraar Ouderengeneeskunde in het LUMC en oprichter van de Leyden Academy on Vitality and Ageing, begon de avond met uit te leggen hoe het komt dat we verouderen. “Als onze evolutionaire taak, het krijgen van kinderen, volbracht is, is investeren in het repareren van schade niet meer belangrijk”, zei hij. Aubrey de Grey spreekt hem op dit punt niet tegen. Wel is hij veel optimistischer dan Westendorp over de menselijke capaciteit om de beperkingen die de evolutie ons oplegt te overwinnen. Hij heeft daarvoor originele ideeën. Zo denkt hij dat het mogelijk moet zijn om te voorkomen dat Alzheimer-veroorzakende eiwitten zich in de hersenen ophopen. “Er zijn bacteriën die deze eiwitten afbreken, want op het kerkhof verdwijnen ze ook. Als we de enzymen uit die bacteriën weten te gebruiken, kunnen we Alzheimer tegengaan”, aldus De Grey. Zo lijkt hij voor elk gebrek dat de ouderdom met zich meebrengt wel een slimme oplossing te hebben. Ook op kritische vragen weet hij een adequaat antwoord te geven. Al wekt hij daarbij de indruk dat bij elke vraag al duizend keer te hebben gedaan, wat waarschijnlijk ook zo is door de vele interviews en lezingen die hij geeft. Wordt de overbevolking geen probleem als we allemaal veel langer leven? Nee, volgens De Grey valt het met die overbevolking wel mee. En willen we eigenlijk wel duizend worden? Die vraag pareert hij met: “Ik werk niet aan heel oud worden, het gaat mij om lang gezond blijven. Langlevendheid is daarvan een bijeffect.” Heel oud worden blijft na zijn lezing wel een kwestie van geloof, geloof in wetenschap. (RH)
Top Erelid en president
Erelid werd hij al vaker, maar het erelidmaatschap van het American College of Surgeons vindt prof. Cock van de Velde (Heelkunde) toch wel heel bijzonder. “In de afgelopen honderd jaar zijn er zeven Nederlanders genomineerd, maar ik ben de eerste Nederlander die erelid is geworden”, licht hij toe. Eind oktober kreeg Van de Velde het honorary fellowship op ceremoniële wijze toegekend in San Francisco, samen met een Chinees en een Amerikaan.
Hij dankt deze eer aan een aantal initiatieven om de kwaliteit van oncologische chirurgie te verbeteren. “Bijvoorbeeld in Nederland met de zogenoemde nationale TME-endeldarmkankerstudie, waardoor het locale recidiefpercentage zo’n 60 procent daalde en de overleving 10 procent steeg. En met een registratiesysteem om de kwaliteit van darmkankeroperaties te kunnen meten, vergelijken én verbeteren.” De hoogleraar hekelt de neiging van zorgverzekeraars om zich al te inhoudelijk met de zorg te bemoeien. “Het College voor Zorgverzekeringen wil bijvoorbeeld kiezen welk ziekenhuis welk soort operatie uit mag voeren. Ik vind dat de beroepsbeoefenaars dat zelf moeten kunnen bepalen. De audit helpt ons daarbij.”
Ook binnen Europa is Van de Velde actief met kwaliteitsverbetering. Hij was al president van de European Society for Surgical Oncology (ESSO), maar vanaf 1 januari gaat hij ook de European Cancer Organisation (ECCO) voorzitten, waar ESSO een onderdeel van is. De ESSO telt meer dan 60.000 leden. En dan bestiert hij nog de wetenschappelijke commissie van de ECCO, die in 2013 in Amsterdam een enorm groot multidisciplinair kankercongres organiseert, met ruim 20.000 deelnemers.
De ECCO is de overkoepelende organisatie van alle Europese kankerverenigingen, met een hoofdkantoor in Brussel. “Wij willen met één stem naar de politiek spreken, om aan te geven wat nou belangrijke onderzoekslijnen zijn en waar de prioriteit moet liggen als het gaat om het verbeteren van kankerzorg.” Zelf maakt Van de Velde zich vooral druk om de enorme verschillen in operatiemortaliteit. “En ik maak me sterk voor een juiste diagnostiek en juiste behandeling van kanker. Er vindt, deels onder druk van de farmaceutische industrie, veel overbehandeling plaats. Aan de andere kant worden er ook patiënten ónderbehandeld, denk aan ouderen met kanker.” (DdV)
Top Zesde Veni
In de vorige Cicero werden vijf Veni-winnaars geportretteerd met hun onderzoek, maar er bleek nog een zesde onderzoeker in het LUMC te zijn die deze prestigieuze subsidie in de wacht heeft gesleept. Het gaat om dr. Arjan te Pas (43) van de afdeling Kindergeneeskunde. Te Pas houdt zich al ruim zes jaar bezig met onderzoek naar de beademing van te vroeg geboren kinderen met nog onrijpe longen. Met behulp van de Veni zal hij dit onderzoek de komende jaren voortzetten. De onderzoeker richt zich daarbij op niet-invasieve beademing – dat wil zeggen: niet inwendige beademing - met behulp van een masker. Dat kan veel voordeel opleveren, omdat zo kan worden voorkomen dat kinderen moeten worden geïntubeerd. Intuberen kan namelijk leiden tot blijvende schade aan de longen. “We hebben in voorgaande klinische trials al bewezen dat niet-invasieve beademing van prematuren werkt”, vertelt Te Pas. “De komende jaren wil ik gaan onderzoeken hoe deze methode geoptimaliseerd kan worden.” De onderzoeker zal daartoe zowel experimenteel als klinisch onderzoek gaan doen. In samenwerking met een Australisch onderzoeksteam zal Te Pas met behulp van een deeltjesversneller in Japan, de zogenaamde synchrotron, het effect van verschillende beademingsstrategieën in beeld brengen. Voor dit experimentele onderzoek gebruikt Te Pas pasgeboren konijnen, omdat hun eerste ademteugen na de geboorte sterke gelijkenissen vertonen met die van de mens. “Ik ben ervan overtuigd dat we veel minder te vroeg geboren kinderen hoeven te intuberen als we eenmaal de juiste strategie hebben gevonden. Zodra we die hebben bepaald, gaan we daarmee terug naar de kliniek en starten we een klinische trial.” Te Pas verwacht daar in de komende drie jaar zeker al een begin mee te kunnen maken. “Er is een groot netwerk van specialisten en verschillende Europese centra zullen eraan meewerken. Bovendien ligt het klinische protocol er al, ik hoef alleen nog maar de juiste beademingsstrategie te vinden.”
Te Pas denkt dat er veel factoren zijn die een rol spelen in het toekennen van een Veni-subsidie, maar het belangrijkste is volgens hem gepassioneerd zijn over je werk. “En dat ben ik zeker. Ik denk dat ik tijdens het interview goed heb kunnen overbrengen dat dit ook echt míjn eigen onderzoek is.” (MR)
Top Diagnose coeliakie kan soms zonder biopt
Een bleek, moe, mager kind met altijd buikpijn en diarree. Dat is het stereotype beeld bij coeliakie – al hoeven de symptomen lang niet altijd zo uitgesproken te zijn. Een op de honderd mensen lijdt eraan. Zij kunnen niet tegen gluten, een groep eiwitten die voorkomen in sommige granen, zoals tarwe en gerst. En dus in brood, koekjes, pasta en talloze andere producten.
Tot nog toe kwamen bij het stellen van de diagnose bij kinderen altijd dunnedarmbiopsieën kijken: een darmonderzoek (scopie) onder narcose waarbij meerdere stukjes darmweefsel worden uitgehapt. Die worden vervolgens onder de microscoop onderzocht, om te zien of het darmslijmvlies is aangetast. “Maar deze biopten blijken niet in alle gevallen nodig”, vertelt dr. Luisa Mearin (Kindergeneeskunde). Zij is lid van de werkgroep van de Europese vereniging voor pediatrische maag-darm-leverziekten en voeding (ESPGHAN) die nieuwe, evidence-based richtlijnen ontwikkelde voor de diagnostiek van coeliakie bij kinderen. Na vier jaar werk werden de nieuwe richtlijnen eind september toegelicht op een congres in het LUMC.
Bij welke kinderen hoeven nu geen dunnedarmbiopten meer te worden genomen? “Bij de groep kinderen met symptomen die aan coeliakie doen denken, bij wie én de coeliakiespecifieke antilichamen in het bloed bij twee verschillende metingen minstens tienmaal verhoogd waren, én de genetische kenmerken ook wijzen op een aanleg voor coeliakie”, antwoordt Mearin. “Het gaat om zo’n 20 procent van de kinderen met coeliakie.” Dat scheelt dus behoorlijk wat darmbiopten. “Op zich is het nemen van darmbiopten gedurende een scopie veilig en hebben kinderen er ook weinig last van, maar het is toch een ingreep waar 60 procent van de ouders en kinderen tegenop ziet”, weet Mearin.
De nieuwe richtlijn is mogelijk gemaakt doordat er betere testen beschikbaar zijn gekomen voor het bepalen van specifieke coeliakie-antilichamen. “Vroeger moesten we zelfs drie keer darmbiopten bij kinderen nemen. Sinds 1990 beschikken we over tests op antilichamen, toen was één keer biopteren genoeg. Nu kunnen we die antilichamen ook nog veel specifieker testen, en de klinische kennis over de ziekte is gegroeid.”
De wijziging maakt de diagnostische procedure wel ingewikkelder. “Je kunt als arts niet op de automatische piloot werken, je moet, in overleg met de ouders, de beste diagnostische procedure voor het individuele kind kiezen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de maag-darm-lever-kinderarts of voor de kinderarts met kennis van coeliakie.” (DdV)
Top Als het steeds niet goed afloopt
Waarom sommige vrouwen herhaaldelijk miskramen krijgen, weten we nog niet goed. Soms helpen medicijnen.
door Diana de Veld foto’s Arno Massee, Marc de Haan
De aanhouder wint meestal
“Dan probeer je het toch nog een keer?” of, nog erger: “Neem maar een hondje.” Vrouwen die herhaalde miskramen krijgen, stuiten vaak op onbegrip in hun omgeving. Dr. Kitty Bloemenkamp probeert iets voor hen te betekenen.
“Vrouwen die herhaaldelijk miskramen krijgen, hebben juist veel behoefte aan liefdevolle zorg”, zegt dr. Kitty Bloemenkamp (Verloskunde). Die vinden ze sinds drie jaar in ieder geval bij de herhaalde-miskramen-poli in het LUMC. Daarvóór zag Bloemenkamp deze patiënten ‘tussendoor’. Nu is er elke week een speciale dag voor ingericht en werken ook twee IVF-artsen mee: Harjo Verburg en Sandra Dieben (Gynaecologie). “We richten ons op vrouwen met minimaal drie miskramen achter elkaar – dus zonder normale zwangerschap tussendoor”, zegt Bloemenkamp. “Bij twee miskramen hoeft er nog niets aan de hand te zijn. Maar drie: dat is echt verdacht.”
Biobank
Waarom sommige vrouwen zoveel miskramen krijgen, is nog slecht begrepen. “Bij een incidentele miskraam is er meestal iets mis met de foetus, een chromosoomafwijking bijvoorbeeld. Zo’n 10 à 15 procent van alle zwangerschappen eindigt in een miskraam. Maar bij herhaalde miskramen speelt er meer, dan gaat het om gezonde foetussen die verloren gaan.” Slechts bij 30 tot 40 procent van de vrouwen is een aanwijsbare oorzaak te vinden, zoals een afwijkende baarmoeder, het antifosfolipidensyndroom of een andere stollingsafwijking. “Soms kunnen medicijnen helpen, zoals antistollingsmiddelen en misschien ook progesteron”, vertelt Bloemenkamp. “Naar de werkzaamheid daarvan doen we binnen onze poli ook wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast zetten we een biobank op met miskraammateriaal.”
Die biobank zal voor twee onderzoeksrichtingen aangewend worden. “Bij herhaalde miskramen lijkt een verhoogde immuunactiviteit een rol te spelen: de moeder stoot het lichaamsvreemde embryo af. Wij willen daarvoor testen en behandelingen ontwikkelen. Daarnaast krijgen vrouwen met herhaalde miskramen ook vaker te maken met vroeggeboorte en pre-eclampsie oftewel zwangerschapsvergiftiging. Beide zijn gerelateerd aan hart- en vaatziekten later in het leven. Wij willen daarom kijken of dit ook geldt voor vrouwen met herhaalde miskramen, en wat de oorzaken daarvan zijn. Misschien verloopt de aanleg van de bloedvaten – de angiogenese – bij deze vrouwen anders.”
Makkelijk zwanger
De psychische impact op patiënten wordt erg onderschat. “We hebben daarom ook een maatschappelijk werkster in het team. De IVF-artsen zijn natuurlijk al gewend om mensen die ongewenst kinderloos zijn te begeleiden. Patiënten zeggen dat ze blij zijn dat ze bij één vaste behandelaar terecht kunnen.”
Een miskraam is ook fysiek geen pretje: het lijkt op een heel hevige menstruatie, met meer buikpijn en meer bloedverlies. “Soms zijn er aanvullende medicijnen nodig om alles los te krijgen, en af en toe moeten we curetteren”, aldus Bloemenkamp. Gelukkig worden de vrouwen met herhaalde miskramen over het algemeen wél opvallend makkelijk zwanger. “Ik kan dan ook echt zeggen: de aanhouder wint. Uiteindelijk krijgt zo’n 90 procent van deze vrouwen toch een kind.”
Veilig gevoel
Haar eerste zwangerschap verliep voorspoedig. Sonja Wagenaar (38) kreeg een gezonde dochter, nu zes jaar oud. Daarna eindigden vijf zwangerschappen in miskramen. Uiteindelijk bracht de combinatie aspirine met heparine uitkomst.
“Na mijn eerste bevalling kreeg ik een heel zware nabloeding”, vertelt Sonja Wagenaar. “Het bleek dat een deel van de placenta, die in mijn baarmoeder was ingegroeid, niet meegekomen was.” De resten van de moederkoek werden in Utrecht operatief verwijderd, gevolgd door een zware curettage. De lucht leek geklaard.
Totdat ze een jaar later opnieuw zwanger wilde worden. “Mijn menstruatie kwam niet goed op gang en ik trok aan de bel. Toen bleek dat mijn baarmoeder verkleefd was: het syndroom van Asherman.” Het ging om een zeldzame complicatie van de curettage. “Gelukkig herkende mijn arts het syndroom en verwees ze me snel naar de juiste specialist.” In Hoofddorp onderging ze meerdere ingrepen waarbij een arts met een tangetje de verklevingen wegknipte, meestal onder plaatselijke verdoving, soms op de OK. “Bepaald geen pretje, maar ik ben wel een volhouder.”
Te actieve afweer
Wagenaar kon weer proberen zwanger te worden. Dat lukte binnen een maand. “Helaas kreeg ik na zes weken een miskraam.” Op zich geen ramp. Maar toen de twee volgende zwangerschappen – ook binnen een maand raak – wederom bij zes weken strandden, werd het een ander verhaal. “Mijn arts wist dat dit niet met Asherman samenhing.” Via via kwam Wagenaar bij de herhaalde-miskraam-poli van het LUMC terecht. “Daar volgden verschillende onderzoeken, onder andere naar mijn bloedstolling. Ik bleek twee stollingsafwijkingen te hebben, maar die hielden geen direct verband met mijn miskramen. Ook vonden ze antistoffen die volgens dokter Bloemenkamp invloed hebben op mijn afweersysteem. Dat is te actief tijdens de zwangerschap, waardoor ik de vrucht afstoot.”
“Dr. Bloemenkamp gaf me telkens de gereedschappen om mijn keuzes goed af te wegen”, zegt Wagenaar. “Ik was heel blij met die duidelijkheid. Het was ook fijn om haar als een centraal aanspreekpunt te hebben. De balans tussen emotionele betrokkenheid en vakinhoudelijke kennis was echt perfect. Ik voelde me veilig en mijn verdriet mocht er zijn.”
Niet meer met de trein
Na een rustperiode werd Wagenaar opnieuw zwanger en slikte deze keer aspirine. Maar helaas: opnieuw een miskraam na zes weken. “Het was een lastige periode. Je ligt telkens een dag met veel pijn en bloedverlies in bed. Ik durfde op een gegeven moment bijna niet meer met de trein te gaan: wat als ik onderweg weer een miskraam krijg? Ook voor mijn dochtertje vond ik het naar. Ze ging vaak bij me liggen om me te troosten. En de teleurstelling is er altijd. Je hebt een toekomstbeeld na zo’n zwangerschapstest: dan is mijn dochter zó oud als de baby komt, zó ziet het komende jaar eruit. Na een miskraam is dat hele perspectief ineens weg.”
Na haar vijfde miskraam besloot Wagenaar dat ze nog uiterlijk twee maanden door wilde gaan, daarna was het genoeg. Bloemenkamp raadde haar aan deze keer niet alleen aspirine te slikken, maar ook heparine – een antistollingsmiddel – te spuiten. Dat deed Wagenaar zes maanden, en met succes. “Mijn zoontje is gezond, hij is nu twee jaar oud.” De zwangerschap verliep goed, maar ontspannen was het zeker niet. “Ook na die zes weken was ik er niet gerust op. Gelukkig kon ik de eerste twaalf weken elke week een echo krijgen in het LUMC.” Het was een lange weg, maar Wagenaar is heel gelukkig dat ze doorgezet heeft en dat haar wens, een broertje of zusje voor haar dochter, toch is uitgekomen.
|
Gift voor onderzoek
Dankzij een individuele patiënt kan de wetenschap weer een stapje vooruit. De onderzoeksgroep naar herhaalde miskramen, waarin dr. Kitty Bloemenkamp samenwerkt met onder andere dr. Ingeborg Bajema (Pathologie) en prof. Frans Claas (Immunohematologie), kreeg van de Nationale Vereniging voor Lupus, Sclerodermie en MCTD-patiënten (NVLE) maar liefst 25.000 euro. Die gift was op zijn beurt afkomstig van het goede-doelenfonds van de ING. Een daar werkzame patiënte met het antifosfolipidensyndroom – geassocieerd met lupus - droeg de LUMC-onderzoeksgroep voor omdat zij zelf na verschillende miskramen uiteindelijk een mooie tweeling kreeg. |
Top Ouderen hebben de toekomst
“Geen gemakkelijk, wél een buitengewoon interessant vak. Medisch gezien vertegenwoordigt de kwetsbare oudere patiënt vaak een half leerboek. Je hebt meer tijd nodig dan de huisarts kan bieden,” aldus Wilco Achterberg, orerend hoogleraar in de Institutionele Zorg en Ouderengeneeskunde. Doel is meestal niet zozeer genezing alswel een prettige laatste levensfase. “In de zestiende eeuw merkte de Franse chirurg Ambroise Paré al op: geneeskunde is soms genezen, vaak verzachten, maar altijd troosten.”
tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck
“Het aantal artsen in opleiding valt bij alle ouderenspecialismen tegen”, verzucht prof. Achterberg. “Ouderengeneeskunde is nu eenmaal niet het eerste specialisme waar jonge mensen aan denken. Ze zoeken de heroïek van het artsenvak, een beeld dat ook door de media wordt neergezet. Feit is dat de gemiddelde mens tussen het eerste levensjaar en het laatste decennium relatief weinig zorg nodig heeft. De meeste zorg gaat naar het laatste levensjaar. De kans op het krijgen van meerdere chronische ziekten stijgt met de jaren. Wat telt zijn de gevolgen van die ziekten. Moeheid, pijn, jeuk en benauwdheid kunnen de levenskwaliteit behoorlijk ondermijnen. Maar ook: verminderde mobiliteit - met als gevolg groeiende eenzaamheid - en meer afhankelijkheid, en daardoor verlies van status, waardigheid en zelfrespect. Als student zie je genezing als hoogste goed en overlijden als ultieme nederlaag. Toch is het functioneren van de patiënt belangrijker dan de ziekte. En sterven is onvermijdbaar. Stel, iemand heeft een halfzijdige verlamming, een depressie, doorligwonden, afasie, incontinentie en een longontsteking. Wat is de beste behandelvolgorde? Vaak werken bepaalde therapieën niet omdat ouderen door andere problemen totaal gedemotiveerd zijn. Of het middel is erger dan de kwaal. Het komt erop neer dat je met kleine stapjes probeert het levensgeluk wat te vergroten. Als dat lukt, dan houd je daar een heel goed gevoel aan over.”
Geëngageerd
Achterberg werd in 1963 geboren in Zeist. “Ik was een nakomertje. Mijn grootmoeder woonde na een beroerte bij ons in huis. Ze kon weinig meer en dat vond ik als kind indrukwekkend.” Op het gymnasium was hij erg begaan met de Derde wereld. “Ik wilde ontwikkelingswerker worden, derdewereld arts.” Na te zijn ingeloot voor geneeskunde ging hij op kamers in Utrecht en leerde zijn vrouw kennen. Direct na zijn afstuderen moest hij in militaire dienst. “Ik verbleef op de afdeling Longziekten van het Militair Hospitaal en ben daarna in Voorburg interne geneeskunde gaan doen. Maar de lange dagen en nacht- en weekenddiensten braken me op. Ook vond ik het allemaal te routinematig – je richtte je op de specifieke klacht zonder oog te hebben voor de mens als geheel.” Achterberg besloot tot een time-out, maakte een reis door Amerika en besloot verpleeghuisarts te worden. Hij liep stage in verpleeghuis St. Jacob te Amsterdam en rondde in 1996 zijn opleiding af aan het VUmc. “Ik ging werken in verpleeghuis Rosendael te Utrecht, dat me de mogelijkheid bood één dag in de week een onderzoeksstage te doen bij prof. Miel Ribbe in het VUmc. Ik onderzocht de bruikbaarheid van een uit Amerika overgewaaide methode om de gezondheidstoestand van verpleeghuispatiënten te beoordelen. Van 562 patiënten verzamelde ik gegevens. Vervolgens legde ik allerlei verbanden, bijvoorbeeld tussen pijn en depressie.” Daarbij hielp de opleiding tot epidemioloog die hij volgde, een vak dat in de opleiding ouderengeneeskunde nauwelijks aan bod kwam. Achterberg promoveerde in 2004, op dezelfde dag als zijn vrouw.
Verbinden
Na zijn promotie bleef Achterberg verbonden aan het VUmc, waar hij het Universitair Netwerk Ouderenzorg oprichtte, en werkte parttime als specialist ouderengeneeskunde bij Zorgspectrum te Houten. Sinds eind 2010 werkt hij twee dagen per week in verpleeghuis Overrhyn van Topaz te Leiden en de overige dagen als hoogleraar Institutionele Zorg en Ouderengeneeskunde bij de afdeling Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde van het LUMC. “Die integratie van ouderengeneeskunde en huisartsengeneeskunde verloopt heel soepel en ontspannen. Ik denk dat Amsterdam daarvan kan leren.” Het is een belangrijk thema van zijn oratie: samenwerking en binding leveren altijd betere resultaten op dan gaan voor eigen gewin. “Het is ook belangrijk vanuit de universiteit anderen erbij te halen. Je moet proberen krachten te bundelen en sterke partijen aan te trekken voor je projecten.”
Ook is hij ervan overtuigd dat de grote vragen rondom vergrijzing pas kunnen worden opgelost als er binnen de langdurige zorg in verpleeghuizen een echte onderzoekstraditie komt. “Een continue kritische evaluatie van ons handelen, zoals je binnen de UMC’s hebt voor de curatieve zorg. Onderzoek naar ouderen is natuurlijk lastiger te evalueren – levensduur is vaak niet langer de belangrijkste uitkomstmaat. Voor doelmatigheidsonderzoek naar levenskwaliteit bestaan speciale methoden, maar die zijn meestal gericht op actief functionerende mensen. Dat zijn de meest kwetsbaren in het verpleeghuis niet.”
Mediahypes
Wat klinisch onderzoek extra bemoeilijkt is dat ouderen vaak verschillende aandoeningen hebben. “Er zijn wel wat onderzoeksmethoden die op de praktijk gericht zijn, maar het blijft cruciaal dat de patiëntengroepen groot genoeg zijn om tot statistisch betrouwbare uitspraken te komen. Daarbij is belangrijk dat er een systeem komt waarbij artsen alles wat ze doen goed registreren en evalueren. Een elektronisch patiëntendossier zou een zegen zijn, maar helaas lopen we daarin erg achter. Er moet voor deze groep absoluut iets worden ontwikkeld.” Achterberg ergert zich vaak aan het gegeven dat discussies rond ouderenzorg worden gestuurd door mediahypes. “Vette koppen in de Telegraaf, kamervragen, het verpleeghuis een nieuw behangetje en daarmee is de kous af. Het mag allemaal niets kosten en is gericht op bestrijding van excessen. Feit is dat de mens gemiddeld nog nooit zo oud is geworden en dat de nieuwe ouderenpopulatie veel hoger is opgeleid en andere eisen stelt. Het verbaast me echt dat de overheid hierin zo weinig langetermijnvisie lijkt te ontwikkelen.”
Gefragmenteerde revalidatie
Een belangrijk punt wordt geriatrische revalidatie. “Mensen met een hoge leeftijd hebben altijd wel een paar momenten van zwakte. Een gebroken heup, een naaste die wegvalt. De revalidatiezorg is nu veel te gefragmenteerd, met bemoeienis van ziekenhuis, huisarts, verpleeghuis, revalidatiecentrum en thuiszorg. Willen we iedereen goed herstel bieden dan moeten we daar verstandiger en met meer synergie mee omgaan.”
Achterberg zet het onderzoek voort dat hij had opgestart vanuit het VUmc. Zo is er een project over valangst bij heupfracturen. De helft van de heupfracturen herstelt slecht omdat men bang is voor herhaling – men beweegt daardoor minder en revalideert langzamer. Een ander project betreft pijn bij dementie. “We zien dat pijn vaak gedragsproblemen geeft en vermoeden dat er een soort clusters zijn van pijn, gedragsstoornissen, depressie en slechte kwaliteit van leven. We willen onderzoeken hoe we dat lijden in kaart kunnen brengen en verminderen. Wanneer wordt lijden zo ondraaglijk dat euthanasie een optie wordt? We moeten dat beter differentiëren, er behandelopties voor bedenken. Dat is altijd beter dan euthanasie.”
Top Zoektocht naar melanoomgenen
Vijf jaar geleden ontving het internationale melanoom-genetica-consortium GenoMEL maar liefst 10 miljoen euro van de Europese Commissie. Doel van het onderzoek was onder andere om genen te ontdekken die de kans op het krijgen van een melanoom vergroten. Een melanoom is een agressieve huidtumor, die ontstaat in de pigmentcellen van de huid. Gezien de grote kans dat kwaadaardige cellen zich door het lichaam verspreiden, is vroege diagnostiek en behandeling bij deze vorm van huidkanker van levensbelang. De LUMC-afdelingen Huidziekten en Humane en Klinische Genetica, waaronder ook het Laboratorium voor Diagnostische Genoomanalyse (LDGA), gingen in samenwerking met het Leidse bedrijf ServiceXS op zoek naar de genen die deze ziekte veroorzaken.
Nu, vijf jaar later, zijn de onderzoeksleiders coauteur van maar liefst achttien publicaties, waaronder vijf artikelen in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Nature Genetics. “Dat is meer dan bij de start van het project werd beoogd”, vertelt dr. Nelleke Gruis, hoofd van de onderzoeksgroep bij Huidziekten. “Vooral het door de jaren heen goedkoper worden van moleculair genetische technologieën, zoals chiptechnologie, zorgde ervoor dat er meer onderzoek verricht kon worden voor hetzelfde geld.” Het bundelen van krachten op locaal en internationaal niveau bracht het onderzoek naar risicogenen voor de ernstige huidaandoening in een stroomversnelling. Door al het uitgevoerde ‘chipwerk’ zijn de onderzoekers veel wijzer geworden over deze huidkankerpatiënten. “In de eerste artikelen die we publiceerden in Nature Genetics bleken vooral de pigmentgenen die je huidtype bepalen je risico op melanoomhuidkanker te vergroten”, legt Gruis uit. De onderzoekers hebben vervolgens gegevens uit een aantal databanken samengevoegd en kwamen zo tot meer inzichten. “Naast deze pigmentgenen bleken ook nog andere genen, die niet aan pigmentatie gerelateerd zijn, een rol te spelen in het ontstaan van melanomen. Deze verrassende resultaten zijn begin oktober online gepubliceerd in Nature Genetics. Het is nu tijd om ook de functie van die nieuw ontdekte genen in het licht van de kans op melanomen inzichtelijk te maken. Er is dus nog genoeg te doen”, aldus Gruis. (MR)
Top Wnt uit een andere hoek
Misschien heeft u nog nooit gehoord van Wnt (uitgesproken als “wint”), maar het stofje speelt een belangrijke rol in uw lichaam. “Wnt is vooral belangrijk in stamcellen”, vertelt prof. Frank Staal (Immunohematologie & Bloedtransfusie, IHB). “Het geeft aan stamcellen het signaal af dat ze stamcellen moeten blijven en voorkomt dus dat ze zich ontwikkelen tot gespecialiseerde cellen.” In stamcellen in bijvoorbeeld darm, huid en embryo’s stond deze functie van Wnt al vast. Onduidelijk was echter nog de rol van Wnt in bloedstamcellen, de cellen waaruit alle bloedcellen ontstaan. Staal: “Er waren eigenlijk drie groepen onderzoekers. Sommige dachten dat Wnt goed is voor bloedstamcellen, anderen dachten dat het juist slecht voor ze is. Een derde groep beweerde dat Wnt geen enkele rol speelt in bloedstamcellen.” Staal gebruikte een deel van de TOP-subsidie die hij in 2009 van ZonMw ontving om het uit te zoeken.
In het oktobernummer van het toonaangevende tijdschrift Cell Stem Cell laten de onderzoekers zien dat het effect van Wnt in bloedstamcellen erg afhankelijk is van de dosis van het stofje. “Een klein beetje Wnt doet niets, wat meer Wnt is goed en te veel Wnt is weer slecht voor bloedstamcellen.” De optimale dosis Wnt voor bloedstamcellen is maar liefst een factor honderd lager dan die voor bijvoorbeeld darmstamcellen. “Dat verklaart waarom verschillende onderzoeken zulke wisselende uitkomsten gaven.”
Hoewel het onderzoek in de eerste plaats fundamenteel is, kan het grote implicaties hebben voor stamcelonderzoek in het algemeen. “Het vermenigvuldigen van stamcellen lukt nu in het lab niet goed”, vertelt co-auteur prof. Wim Fibbe (IHB). “Naar de rol van Wnt hierbij is nooit gekeken. Het zou een van de sleutelfactoren kunnen zijn bij de groei van menselijke stamcellen.” De onderzoekers willen daar nu verder naar gaan kijken. Fibbe: “Nu worden vaak stamcellen uit navelstrengbloed gebruikt, maar dat is maar een beperkte hoeveelheid. Als het zou lukken om stamcellen te vermenigvuldigen dan nemen de mogelijkheden enorm toe.”
Daarnaast kan Wnt mogelijk gebruikt worden om stamcellen te identificeren, als biomarker dus. “Als je een patiënt stamcellen geeft, wil je zeker weten dat het niet allemaal cellen zijn die net iets meer uitgerijpt zijn, want die leven misschien maar een paar maanden. Als je wilt dat de patiënt er levenslang iets aan heeft moet je echte stamcellen geven. Het zou dus mooi zijn als we markers ontdekken die aangeven of een cel een echte stamcel is. Wnt lijkt daar een goede kandidaat voor”, aldus Staal. (RH)
Top Toen en nu - Indrukwekkende transplantaties
Eigenlijk wilde ze iets met techniek gaan doen, maar doorleren zat er voor Ingrid Donk-Jaklofsky (62) wegens geldproblemen thuis niet in. Vastbesloten een vak te leren, werd ze verpleegkundige op de afdeling Niertransplantatie, een beroep dat ze uiteindelijk meer dan 35 jaar zou uitoefenen. “Het is geweldig om eraan mee te werken dat mensen die altijd ziek zijn geweest, zich ineens weer goed voelen.”
door Caroline van der Schaaf foto Arno Massee
Wat wilde u vroeger worden?
“Ik wilde graag de techniek in. Maar dat kon niet, want er waren thuis geldproblemen. Mijn broer mocht wel doorleren, maar ik als meisje niet. Ik moest naar de vormingsklas van de Huishoudschool. Vreselijk. Of ik kon een kantoorbaantje zoeken, maar dat was het ook niet. Dus dacht ik: ik zoek iets waar ik intern kan wonen en waar ik tegelijk kan leren en werken. Dat werd de verpleegkunde.”
Het was dus meer een noodgreep dan een bewuste keuze?
“Ja, maar ik heb er wel ontzettend veel geleerd. Het was hard werken en veel meemaken. Na de opleiding in Den Haag kon ik geen baan krijgen in het ziekenhuis en heb ik een maand elders op de kraamafdeling gewerkt. Maar dat was echt niet aan mij besteed. Ik had het geluk dat ik toen terug kon komen in het ziekenhuis. Ik kon beginnen op de dialyse-afdeling, wat ik heel leuk vond, want ik wilde graag nog meer bijleren. Dat heb ik anderhalf jaar gedaan. Ik was inmiddels getrouwd en verhuisde met mijn man naar Alphen aan den Rijn, wat betekende dat ik elke dag vier uur moest gaan reizen. Dat vond ik te ver. Ik solliciteerde op een functie in het Leidse Academische Ziekenhuis als administratief medewerkster op de Röntgenafdeling, en werd aangenomen. Toen ze op mijn eerste werkdag hoorden dat ik verpleegkundige was, kreeg ik een baan aangeboden als verpleegkundige op de afdeling Niertransplantatie.”
Hoe beviel dat?
“In het begin moesten we heel veel zelf doen. De bloedbuisjes maakten we zelf en we brachten ze ook zelf naar de laboratoria. Die zaten ver weg, want je had toen al die losse gebouwen nog. Dan moesten we via het dak naar het lab! Ook de dialyse zat in een ander gebouw. Patiënten die gedialyseerd moesten worden, werden dan met een wagentje van gebouw 15 naar gebouw 5 gebracht. Dat hobbelde allemaal, en die mensen hadden al zoveel pijn, vreselijk. Uiteindelijk heeft mijn leidinggevende voor elkaar gekregen dat we in hetzelfde gebouw kwamen te zitten. Dat was veel makkelijker.”
Waarom bent u zo lang op deze afdeling gebleven?
“Het is een heel uitdagende afdeling, en ik heb er heel veel interessante ontwikkelingen meegemaakt: nieuwe medicijnen, nieuwe technieken, nieuwe apparatuur, nieuwe manieren van opereren, noem maar op. Daar kreeg je als verpleegkundige natuurlijk ook mee te maken. Zo kwam de nier-pancreastransplantatie, en kreeg je de transplantatie van de eilandjes van Langerhans. Het is heel mooi om die ontwikkelingen te zien. Ik heb een paar keer bij zo’n transplantatie geassisteerd. Heel indrukwekkend. Ook de allereerste buikspoeling, de CAPD, heb ik meegemaakt. Dat ging nog met een stalen naald en met warm water om de flessen op temperatuur te houden. Het was heel spannend, maar het ging gelukkig goed. Dat is ook het mooie aan dit werk: dat je patiënten soms zo ziet opknappen. Mensen die altijd ziek zijn geweest, voelen zich ineens weer goed. Het is geweldig om mee te werken aan dat resultaat.”
U bent net gestopt met werken. Wat gaat u nu doen?
“Ik ga thuis eens flink opruimen, en een beetje uitrusten. En ik ben van plan om het huis van mijn ouders in Den Haag op te knappen. Of ik het moeilijk vind om afscheid te nemen van het ziekenhuis? Nee hoor. Er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan. Mijn werk zit erop. Natuurlijk zal ik de mensen en het werk heus wel eens missen. Maar het is ook wel fijn om weer eens tijd te hebben voor mezelf.”
Top Problemen oplossen in één dag
Negen universitaire teams van jonge onderzoekers lieten hun werk twee dagen in de steek: ze wierpen zich in Leiden in de strijd om het Van Noordwijk Stipendium. De opdracht was een oplossing te bedenken voor een probleem waarmee hart- of nierpatiënten kampen. De wedstrijd was onderdeel van de festiviteiten rond de honderdste geboortedag van Willem Kolff. “Geweldig om aan deze uitdagende wedstrijd mee te doen.”
door Willy van Strien foto’s Herman Broers
Met volgepakte rugzakken en flinke rolkoffers druppelen ze donderdagochtend 29 september het LUMC-onderwijsgebouw binnen: negen universitaire teams van elk vier aio’s plus een postdoc die deelnemen aan de Battle of the Universities. De teams – uit Amsterdam (UvA), Eindhoven, Enschede, Groningen, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam en Utrecht – gaan zich werpen op medisch-technische problemen waar nier- en hartpatiënten mee kampen. Het team dat de meest creatieve oplossing op tafel legt verdient daarmee het Van Noordwijk Stipendium 2011, een prijs van € 10.000. De prijsuitreiking is morgenmiddag tijdens het Kolff 100 Congres in de Stadgehoorzaal Leiden.
De Willem Kolff Stichting en de Nierstichting Nederland organiseerden wedstrijd en congres ter ere van de honderdste geboortedag van Willem Kolff, de Leidenaar die in 1943 in Kampen de eerste kunstnier bouwde en in 1957 in de VS het eerste kunsthart ontwikkelde. Jacobus van Noordwijk, naar wie het stipendium is vernoemd, was tijdens de oorlogsjaren zijn assistent.
Reëel probleem
Om half tien drinken de deelnemers nog min of meer rustig hun koffie. “We weten niet goed wat we moeten verwachten”, vertelt Leonard van Schelven, de captain van het Utrechtse team. “Daarom hebben we veel literatuur meegebracht, een groot anatomisch naslagwerk en het een en ander aan knutselmateriaal.” Toen de Utrechtenaren afgelopen voorjaar van de wedstrijd hoorden, was de beslissing snel genomen: ‘hier móeten we aan mee doen’. Ze stelden een team samen met experts op het gebied van thoraxchirurgie, stamceltherapie en medische technologie. Ze bespraken wat de problemen zouden kunnen zijn waaraan ze vandaag komen te werken. Nu staan ze klaar om te beginnen. Van Schelven: “We hebben een hotel genomen, dan kunnen we vanavond doorgaan zo lang als we willen.”
Om tien uur neemt iedereen plaats in de Burumazaal. Er zijn duidelijk negen groepjes te zien; sommige teams dragen shirts met het logo van hun universiteit. Prof. Ton Rabelink (LUMC, Nierziekten) legt een nierprobleem voor. Het is muisstil in de zaal als de patiënt die hij heeft meegebracht vertelt hoe hij vóór zijn niertransplantatie voortdurend moe was, jeuk had en hartklachten kreeg. Het vervelendst vond hij de pijn in zijn voeten en de angst om die pijn ook in zijn handen te krijgen.
Rabelink legt uit dat die hartklachten en pijn ontstaan doordat de afvalstof ADMA (asymmetrische dimethylarginine) zich ophoopt in het bloed; de stof tast bloedvaten en zenuwen aan. Normaal gesproken wordt ADMA in de nieren afgebroken door het enzym DDAH (dimethylargininase), maar in een zieke nier gebeurt dat niet en met dialyse filtert men de stof niet weg. De opdracht: zoek een manier om dat ADMA uit het bloed te krijgen. “Het is een reëel probleem”, licht Rabelink later toe. “We weten pas een jaar of tien wat ADMA precies doet en er is nog geen goede poging gedaan om dit probleem te verhelpen. Maar het is niet onoplosbaar en de teams moeten dit zeker aankunnen.”
Dan laat prof. Jaap Lahpor (hartlongchirurg aan het UMC Utrecht) een vrouw met ernstig hartfalen aan het woord. Zij draagt een steunhart in afwachting van een harttransplantatie. Het steunhart bevalt zo goed dat ze geen haast heeft met de transplantatie. Toch kleven er nadelen aan. Ze draagt voortdurend twee tasjes mee met batterijen die het steunhart voeden. Via de drive line van steunhart naar batterijen kan een infectie optreden. Ze slikt bloedverdunners tegen het gevaar van embolie. Lahpor voegt eraan toe dat het mooi zou zijn als haar hart zelf weer gaat pompen. De opdracht is om een van deze problemen aan te pakken.
Het lot bepaalt welk probleem elk team gaat aanpakken. Vijf teams trekken nier, vier teams trekken hart. Tegen half twaalf gaat iedere groep in een eigen kamer aan de slag.
Genoeg tijd
Om vier uur is het LUMC-team rustig bezig. Captain Carolien Rothuizen vertelt dat beide onderwerpen haar team, drie mensen van Nierziekten en twee van Cardiologie, aanspraken. Ze lootte het hart en probeert een manier te bedenken om het zieke hart te repareren. Rothuizen: “We willen in het lab een soort pleister kweken met daarin stamcellen van de patiënt en die pleister implanteren. We hebben net dr. Marie-José Goumans van Moleculaire Celbiologie even aan de lijn gehad voor advies.” Ze vindt dat er tijd genoeg is voor de opdracht: “We hebben een plan gemaakt, de taken verdeeld en iedereen neemt nu een stuk literatuur door.”
Het team uit Utrecht komt net terug van een wandeling en begint druk te discussiëren. “We zijn op een cruciaal punt aangekomen.” Ook dit team heeft het hartprobleem getrokken en werkt aan herstel. Door het steunhart bij rust af en toe wat minder te laten pompen kun je het hart trainen om weer te gaan werken, is hun idee. Het team wil daartoe behalve een steunhart ook een pacemaker implanteren. Door slim gebruik van de signalen die steunhart en pacemaker oppikken wil het team de training sturen en volgen. “Gaat wel lukken vandaag”, denken ook de Utrechtenaren.
Winnaar
Vrijdagochtend vertelt het Leidse team tot twee uur ’s nachts bezig te zijn geweest, het Utrechtse team zelfs tot half vier. Om acht uur, voor het congres begint, presenteert elk team zijn idee in vijf minuten aan de jury. Die is onder de indruk. “De gepresenteerde ideeën zijn van onverwacht hoge kwaliteit”, vertelt juryvoorzitter Arie van Noordwijk, zoon van Jacobus, na afloop. Om twaalf uur maakt hij bekend dat Utrecht en Rotterdam zijn genomineerd voor de prijs. Leiden hoort dus bij de teams die zijn afgevallen. “Heel jammer”, vindt Rothuizen. “Maar het was hoe dan ook geweldig om mee te kunnen doen.” Ook haar teamgenoot Siebe Spijker is enthousiast: “Normaal werk je jarenlang op een gedetailleerd niveau aan een kleine vraag. Hier moesten we een groot probleem in één dag oplossen. Een leuke ervaring.”
Na de lunchpauze presenteren de genomineerden hun oplossing aan het congrespubliek. Utrecht legt uit wat zijn Cardiac Maxercise inhoudt. Rotterdam, een team van vooral cardiologen, denkt nierpatiënten te helpen door cell beads in het bloed te injecteren, korreltjes met stamcellen erin die zo zijn gemanipuleerd dat ze het ADMA-afbrekende enzym DDAH produceren. Het publiek mag het eindoordeel vellen en kiest de Rotterdammers als winnaar. Zij krijgen het geld om hun concept verder uit te werken. “Maar eigenlijk zijn alle ideeën verdere uitwerking waard”, vindt Van Noordwijk.
Top Tijd voor een muzikale reisroman
Er gaat veel veranderen nu René de Vries, hoogleraar Immunogenetica van autoimmuun- en infectieziekten, met emeritaat is. “Ik beëindig al mijn werkzame activiteiten en om mijzelf te dwingen de knop echt om te zetten start ik meteen een project waar ik al een jaar naar uitzie: onderzoeken of ik een roman zou kunnen schrijven, een combinatie van reisverhaal en biografie. Ik ben gefascineerd geraakt door een celliste die in de negentiende eeuw een reis ondernam naar Siberië. Ze was de eerste vrouw die optrad als celliste en genoot al op haar achttiende bekendheid. Ze is tijdens haar reis aan cholera overleden. Die reis ga ik reconstrueren en hiaten vul ik in met mijn fantasie. Meer wil ik er niet over kwijt. Mocht het boek er uiteindelijk niet komen, dan heb ik toch een fantastische reis gemaakt!”
Dat zijn heldin celliste is, is zeker geen toeval. De Vries is enthousiast amateur-cellist en was jarenlang organisator van de maandelijkse Boerhaavepleinconcerten in het LUMC. In aansluiting op zijn afscheidscollege gaf hij een afscheidsconcert.
De Vries begon zijn carrière bij immunohematoloog prof. Jon van Rood in de spannende periode waarin het functioneren van HLA-systeem werd opgehelderd. “Er werden in Leiden en elders in de wereld belangrijke ontdekkingen gedaan die alles een stuk inzichtelijker maakten. Een nieuwe fase brak aan toen biotechnologische bedrijven instapten en middelen ontwikkelden die bijvoorbeeld konden worden ingezet tegen reuma.”
Zijn eigen interessegebied lag op het gebied van immunotherapie met zogeheten peptidenvaccins en cellulaire vaccins. “Daarmee kun je de ontregelde afweer tegen lichaamseigen componenten onderdrukken.” Medio jaren tachtig was De Vries een tijdje als onderzoeker te gast bij de groep van Ralph Steinman aan de Rockefeller Universiteit in New York, dezelfde Steinman aan wie dit jaar de Nobelprijs werd toegekend voor de ontdekking van dendritische cellen (zie pg. 7). “Inmiddels zijn dendritische-cel-vaccins een veelbelovende strategie tegen bepaalde vormen van kanker, maar ze bieden ook mogelijkheden voor allerlei andere aandoeningen.” Als blijk van waardering voor zijn inzet werd De Vries bij zijn afscheid benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.
Zijn er zaken die hem zorgen baren? “Ik vind het jammer dat we onze mooie positie als kenniseconomie kwijtraken, bijvoorbeeld aan Azië. Ik begrijp niet dat de politiek het kan laten gebeuren dat ons wetenschappelijk onderzoek afglijdt naar de tweede rang.” (JHvD)
Top Docenten worden beroeps
Studenten opgelet! Het LUMC telt honderden docenten, maar deze elf hebben bewezen het te kunnen. Anne Marie Cleton-Jansen (Pathologie), Huub van der Heide (Orthopedie), Jolanda Lindenberg (Ouderengeneeskunde/LAVA), Eline Dubois (DOO), Monique Jongbloed (Anatomie/Hartziekten), Susana Chuva de Sousa Lopes, Paul Gobée, Beerend Hierck, Daniël Jansma, Egbert Lakke en Robbert Notenboom (allen Anatomie) kregen op 11 oktober hun onderwijskwalificatie uit handen van prof. Eduard Klasen, decaan en lid van de Raad van Bestuur.
Het ‘docentprofessionaliseringstraject’ (kan iemand een ander woord verzinnen? – red.) draaide een jaar als pilot. Daaraan deden de afdelingen Anatomie en Orthopedie mee. Sommigen zijn gekwalificeerd op basisniveau: onderwijs aan kleine groepen. Anderen hebben aangetoond dat ze ook volle collegezalen kunnen boeien, opdrachten kunnen ontwikkelen en toetsvragen kunnen maken (niveau 2). Er waren ook docenten die hebben bewezen dat zij goed in staat zijn om als blokcoördinator onderwijs te ontwikkelen, te toetsen, te evalueren en te coördineren (niveau 3). Om dat te toetsen werden onder meer beoordelingen door studenten en observaties ingezet.
Eduard Klasen sprak zijn waardering uit over de inzet die de deelnemers hadden getoond. Hij was onder de indruk van de portfolio’s van de deelnemers. “Het vergt nogal wat van de betrokken docenten!” Na hem vertelde orthopeed Huub van der Heide iets over zijn ervaringen als cursist. Die waren positief: het was een heel leerzaam traject, al vond hij de spiegel die hem werd voorgehouden soms “best confronterend”. (MvB)
Top Schrijven deed pijn
Vanwege het 25-jarig bestaan van Cicero kijken we terug met oud-redacteuren. Vijfde en laatste in de serie is Elmar Veerman. Hij klom op van stagiair tot eindredacteur.
door Raymon Heemskerk foto Marc de Haan
“Ik heb veel geluk gehad”, zegt Elmar Veerman (38) als hij in Sociëteit De Burcht terugblikt op zijn carrière als wetenschapsjournalist tot nu toe. Die carrière begon in 1997 bij Cicero. Hij studeerde biologie aan de VU en wilde graag schrijven, daarom zocht hij een journalistieke stage. “Maar alle kranten gaven de voorkeur aan een student journalistiek.” Van Evert Pronk, oud-stagiair bij Cicero, hoorde hij positieve verhalen. Dus maakte hij een afspraak met Pieter van Dam, het toenmalige hoofd Communicatie.
Hij kon meteen beginnen bij de destijds driekoppige redactie. In een geavanceerde computer voor de stagiair was echter nog niet voorzien. “Ik kreeg een oudje zonder muis en internet. Het was eigenlijk meer een typemachine.” De redactionele processen waren ook minder modern dan in die tijd gebruikelijk. Pieter van Dam toog nog elke twee weken naar de drukker met diskettes met de teksten voor Cicero. En hij was nog driftig aan het knippen en plakken met stroken tekst, zodat de vormgever dat in de computer kon nadoen. “Dat vond de drukker zelf toen ook al ouderwets.”
Diepte-interview
Bij Cicero leerde Veerman pas echt schrijven. Al had hij wel een cursus wetenschapsjournalistiek gevolgd en een artikel over spinnen in het populair-wetenschappelijke blad EOS gepubliceerd. “Daar had ik een maand over gedaan.” Ook bij Cicero schreef hij in het begin langzaam. Als hij een stukje van 300 woorden over een promotieonderzoek moest schrijven, zat hij eerst een hele dag het proefschrift te lezen. Vervolgens schaafde hij twee dagen aan het stukje. “Schrijven deed pijn. Nu nog, af en toe. Het is leuk om het geschreven te hebben, maar het is een pijnlijk geboorteproces.” Interviewen vond hij meteen fantastisch. “Ik kwam net uit de collegebanken waar je met honderd man naar een hoogleraar luistert. Bij Cicero kon ik soms twee uur lang een diepte-interview houden en alles vragen wat ik wilde. Soms zelfs mijn eigen theorietjes op iemand loslaten.”
Ontluisterend
Aan het einde van zijn stage vertrokken de twee redacteuren met wie hij een kamer deelde toevallig allebei en kon hij aanvankelijk voor tweeënhalve dag bij Cicero blijven werken. Hij besloot daarnaast de lerarenopleiding in deeltijd te gaan volgen. “Het was een hectisch bestaan maar erg leerzaam. Tussen onderwijs en wetenschapsjournalistiek bestaan zeker parallellen. Je moet bij beide blijven boeien en niet al te educatief willen zijn.” Na het volgen van een cursus eindredactie werd Veerman in 2001 eindredacteur van Cicero. In 2003 was hij betrokken bij de restyling van het blad.
Hij herinnert zich veel interessant onderzoek uit zijn tijd in het LUMC, maar het artikel Sperma als natuurlijke bescherming (Cicero nr. 9, 2000) is hem het meest bijgebleven omdat dat landelijk werd opgepikt. Het ging over onderzoek waaruit bleek dat spermaslikken helpt tegen de gevaarlijke aandoening pre-eclampsie die soms optreedt bij zwangere vrouwen. “Toen ik een frietje op het station kocht hoorde ik er mensen grappen over maken. Dat was mooi, maar ook wel ontluisterend hoe weinig er overblijft.”
De boodschap van het artikel, pijpen kan gezond zijn, was bij de media goed overgekomen. Minder interesse was er voor de achterliggende theorie: doordat de vrouw via het maag-darmkanaal al in aanraking komt met bepaalde erfelijke factoren (HLA) van haar partner, reageert haar afweersysteem later minder heftig op het kind. “Uit een soort van gêne wordt hier verder weinig onderzoek naar gedaan. Dat is jammer.”
Klikcijfers
Het was altijd gezellig op de redactie, herinnert Veerman zich. Collega’s als Dirk Ketting en Pieter van Dam vertelden wel sterke verhalen over hoe het er voor zijn tijd aan toe ging. “Zij vonden het maar braaf geworden, maar misschien waren we ook wel efficiënter gaan werken.” In 2004 zag hij een vacature bij de VPRO-website Noorderlicht. “Dat was toen de enige wetenschapssite van Nederland. Ik wilde graag breder over wetenschap schrijven en liever niet over personeelsonderwerpen als functieschalen.” Hij werd uit vele kandidaten gekozen en werkt nu – inmiddels als eindredacteur – met veel plezier voor wat tegenwoordig wetenschap24.nl/nieuws heet. Het vasthouden van een gedrukt blad mist hij wel een beetje. “Maar wij hebben klikcijfers, die aangeven hoe vaak een nieuwsbericht bekeken is. Dat is ook heel leuk.”
Top Verantwoorde voorspellingen
Hein Putter geeft al jaren statistiekadviezen aan medische onderzoekers. Hij is betrokken bij de talloze klinische studies geïnitieerd door de afdeling Heelkunde en ook vele andere afdelingen, binnen én buiten het LUMC, profiteren van zijn consultaties. Daarnaast doet hij onderzoek op het gebied van statistische genetica en, vooral, het analyseren van overlevingsgegevens. Vorig jaar werd hij benoemd tot hoogleraar Longitudinale Data Analyse.
tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck
Komt een vrouw bij de dokter, op de mammapoli. Ze is vijftig jaar. Vier jaar geleden kreeg ze de diagnose borstkanker. Na intensieve chemokuren werd een tumor van 1,5 centimeter borstsparend verwijderd, aangevuld met radiotherapie. Onderzochte lymfeklieren bleken verschoond van uitzaaiingen. Ze is nu vier jaar ziektevrij en wil weten of ze nog rekening moet houden met terugkeer van de ziekte, in de geopereerde borst of andere organen. Hoe groot is dat kans dat ze over vijf jaar nog leeft?
Dynamische voorspellingen
“Dit is een voorbeeld uit de alledaagse praktijk,” zegt biostatisticus prof. Hein Putter. “Had ze dit meteen na afloop van de operatie gevraagd, dan had de arts tot een goede schatting kunnen komen. Op basis van het meest recente ‘Oxford-overzicht’ van borstkankerstudies zou de kans om vijf jaar na chirurgie ziektevrij door het leven te gaan gelijk zijn aan 82 procent. Een populair internetprogrammaatje, ‘Adjuvant! Online’, zal na invoer van alle relevante gegevens tot een vergelijkbaar percentage komen. Maar een overlevingskans berekend vanaf diagnose en behandeling is heel iets anders dan vier jaar daarna, dus met de wetenschap dat in die voorliggende periode geen locaal recidief of metastasen op afstand zijn voorgekomen. Dit soort voorspellingen moeten dus tijdens het behandeltraject worden ‘geüpdatet’ – er moet extra klinische informatie in worden verwerkt. Men spreekt van ‘dynamische voorspellingen’.” In zijn oratie Een dynamische survivaltocht beargumenteert Putter dat er meer aandacht moet komen voor dynamische voorspelmodellen. “Dit onderwerp is in de medische vakliteratuur volstrekt verwaarloosd. Artsen hebben vermoedelijk geen idee wat ze tegen die vijftigjarige vrouw zouden moeten zeggen!”
Moeras
Putter (45) is geboren en getogen in Maastricht, maar zijn ouders kwamen uit Noord-Holland. “Ik werd gezien als Hollander, in het Maastrichts ‘Huillender’. Mijn vader kon als leraar Engels een leuke baan krijgen op het Stedelijk Lyceum aldaar, waar ik zelf ook op heb gezeten. Ook mijn moeder was lerares Engels. Een echte alfa-familie - mijn broer ging Engels studeren, mijn zus Frans. Ik was het bèta-buitenbeentje, vond het heerlijk om ’s avonds wiskundesommen te maken. Ook speelde ik als kind veel piano, heb later zelfs het conservatorium overwogen.” Toch koos hij voor een richting ‘met meer zekerheid’, ging wiskunde studeren in Leiden. “Dat kon niet in Maastricht en in Oegstgeest woonde een tante bij wie ik tijdens herfstvakanties vaak had gelogeerd, dus ik kende Leiden goed.” Na zijn studie deed hij promotieonderzoek bij prof. Van Zwet. “Dat was een tamelijk theoretisch onderwerp over een statistische techniek die de ‘boot strap’ wordt genoemd, naar het lusje aan de laars waarmee Baron Von Münchausen zichzelf én zijn paard uit het moeras trok.”
Patiëntoverleving
Hij was in die tijd fanatiek bezig met koorzang, was als student lid van het Collegium Musicum, zong bij semiprofessionele gezelschappen als de Nederlandse Bachvereniging en Capella Amsterdam en ontmoette ook zijn vrouw bij een koor. Als postdoc had de bariton voor zingen weinig tijd meer. Hij werkte een tijdje aan de UvA, de VU en ook aan de Universiteit van Cambridge, tot het vaderschap zich aandiende en hij een baan accepteerde als biostatisticus van het Nationaal AIDS Therapie Evaluatie Centrum in het AMC. “Het was mijn eerste kennismaking met klinisch onderzoek, met toegepaste statistiek, en dat beviel erg goed.” In 2000 werd hij naar het LUMC gehaald. “Men zocht bij de afdeling Medische Statistiek en Bioinformatica vervanging voor Jo Hermans. Hij had goede contacten met de afdeling Heelkunde en die consultaties heb ik voortgezet.” Wat betreft onderzoek raakte hij aanvankelijk vooral betrokken bij de genetische statistiek, maar met de komst van de in genetica gespecialiseerde prof. Jeanine Houwing-Duistermaat besloot hij zich volledig te concentreren op analysemethoden van patiëntoverleving, in het bijzonder de dynamische voorspelling.
Droom
In 2007 ontving Putter een belangrijke subsidie van ZonMW en een van de onderzoeksthema’s, waarop aio Alina Nicolaie is aangesteld, richt zich op dynamisch voorspellen. In zijn oratie beschrijft hij hoe voormalig afdelingshoofd prof. Hans van Houwelingen het idee van landmarking introduceerde, het gebruik van gegevens die houvast bieden bij het doen van specifieke voorspellingen. “Stel je hebt de beschikking over een groot gegevensbestand betreffende borstkankerpatiënten, dan zou je daaruit alle vrouwen kunnen selecteren met de gewenste risicofactoren die na vier jaar nog geen recidief of uitzaaiingen vertonen en dan turven wie vijf jaar later nog in leven zijn. Je zou dat een landmark-gegevensbestand kunnen noemen. Zo’n landmarkprocedure levert simpele, intuïtieve voorspelmodellen op.” Samen met Van Houwelingen schreef Putter onlangs het boek Dynamic Prediction in Clinical Survival Analysis, waarin landmarking een prominente plaats heeft. Dat boek zal nog dit jaar verschijnen. Op de voorkant staat een grafiek waaruit men de kans kan aflezen dat de 50-jarige vrouw uit het begin vijf jaar later nog steeds ziektevrij in leven is: 89 procent. “Mijn droom is om zo’n dynamisch voorspelmodel daadwerkelijk in het LUMC in te voeren. Een ‘dynamic adjuvant! Online’.”
Overoptimisme
Putter heeft inmiddels een slagvaardig ‘survivalgroepje’ om zich heen verzameld en dankzij participatie in een Europees Training Network krijgt hij er in 2012 een nieuwe aio bij. “Statistici zijn veel gevraagd in medisch onderzoek. Helaas laat de aanwas van geschoolde statistici op dit moment te wensen over – ze worden vaak weggekaapt door het bedrijfsleven – maar gelukkig hebben we nu de nieuwe master Statistical Science, dus ik ben niet al te pessimistisch over de toekomst.” Artsen zelf hoeven wat hem betreft geen statisticus te worden. “Als ze maar gevoel krijgen voor de rol van het toeval in het tot stand komen van hun data. Ook vind ik belangrijk dat men een kritische houding ontwikkelt, zowel ten opzichte van gepubliceerd onderzoek van anderen als tegenover eigen onderzoek.” In zijn oratie kijkt Putter zelf kritisch naar de voorspelkracht van overlevingsmodellen. “De neiging bestaat het voorspellen te verbeteren door enorm veel voorspellers toe te voegen aan zo’n model, maar dat leidt al gauw tot overoptimisme.” Om dat punt te verduidelijken haalt hij als Bachliefhebber een boek aan over getallensymboliek in diens werk: het positioneren van bepaalde groepen maten en noten in composities door middel van getallen die met Bach te maken hebben: B=2, A=1, C=3, H=8, samen 14, het ‘Bach-getal’. “In dat boek wordt bijvoorbeeld beweerd dat Bach zijn eigen sterfdatum heeft voorspeld! Ik zal u verklappen dat ik na enig puzzelen in prelude in Es groot BWV 552 heb ontdekt dat Bach ook mijn oratiedatum voorspelde: 14-10-2011.”
Na afloop van zijn oratie zal het cortège wegschrijden op de orgelklanken van de bewuste compositie.
Top De hersenen uit evenwicht
Drie Spinozawinnaars uit 2009 werken gezamenlijk aan migraine
door Willy van Strien foto Marc de Haan
Elk jaar kent NWO Spinoza-premies toe. De winnaars krijgen een flinke som geld om hun onderzoek uit te breiden en gaan tevreden verder met hun werk. Maar in 2009 gebeurde er iets bijzonders, vertelt prof. Michel Ferrari (Neurologie), een van de gelauwerden van dat jaar: “Toen NWO de toekenning bekend maakte, ontmoette ik de andere prijswinnaars: Marten Scheffer, wiskundig bioloog in Wageningen, en Albert van den Berg, nanofysicus aan de Universiteit van Twente. Het klikte meteen. We vertelden elkaar over ons werk en binnen enkele minuten besloten we om gezamenlijk onderzoek te gaan doen.” Nu, ruim twee jaar later, is het migraineproject van dit ‘Spinozatrio’ in volle gang. Ferrari hield er de Hoftorenlezing over, op 26 oktober bij het ministerie van OCW.
Migraine is het terrein waarop Ferrari deskundig is. “We weten redelijk goed wat er tijdens een aanval gebeurt”, zegt hij. “Maar we weten nog niet waarom, hoe en wanneer een aanval begint. Dat zouden we graag willen begrijpen.” Hoe kunnen een wiskundig bioloog en een nanofysicus daarbij helpen?
Kantelpunt
Scheffer rekent aan de dynamiek van ecosystemen, vooral aan het verschijnsel dat zo’n systeem bij een verstoring plotseling kan omslaan van de ene stabiele toestand naar de andere. Een meertje dat altijd helder was bijvoorbeeld kan opeens blijvend troebel zijn. Zulke plotselinge overgangen treden op in allerlei complexe systemen, ontdekte Scheffer. Dat deed een belletje rinkelen: ook de hersenen zijn een complex systeem – volgens Ferrari complexer dan een ecosysteem – waarin plotselinge omslagen voorkomen. Ferrari: “Dat is precies het intrigerende van migraine. Iemand voelt zich op het ene moment goed en is op het andere moment ziek. Marten vindt het geweldig spannend om zijn rekenmodellen daarop los te laten.”
Van den Berg ontwerpt minuscule instrumentjes om allerlei biologische en chemische metingen te doen: biosensoren en labs-on-a-chip. Daarmee kunnen de onderzoekers meten in bloed en hersenvocht van proefdieren en patiënten. Ferrari: “Ik heb dus een mooie toepassing voor de kennis en de expertise van beiden.”
In een binnenkort te verschijnen artikel werpt het Spinozatrio de hypothese op dat bij een verstoring in de hersenen verdedigingsmechanismen in werking treden die de oorspronkelijke stabiele toestand herstellen, net zoals in andere complexe systemen. Maar als de verstoring te groot is en de verdedigingsmechanismen tekortschieten, slaat het systeem om naar een afwijkende toestand. Patiënten met migraine hebben een lage verdediging, is het idee, zodat de zieke toestand makkelijk kan ontstaan. Misschien kun je die omslag zien aankomen, vertelt Ferrari: “Een van de eigenschappen van complexe systemen is: hoe dichter je bij het kantelpunt komt, hoe langer het na een verstoring duurt voordat de oorspronkelijke evenwichtssituatie is hersteld. We willen weten of dit ook voor migraine opgaat.”
In Leiden werken drie medewerkers aan het project. Arts-onderzoeker Ronald Zielman ontwikkelt een methode om na verstoring door lichtflitsen de prikkelbaarheid van de hersenschors te meten met behulp van het EEG – een maat voor de hersteltijd. “Ik ga kijken of we een toenemende hersteltijd vinden voor een migraineaanval begint”, vertelt hij.
Biosensoren
Prof. Arn van den Maagdenberg (Humane Genetica) ontwikkelde muizenstammen met een genetische mutatie waardoor migraineaanvallen gemakkelijk zijn op te wekken. LUMC-fellow dr. Else Tolner zal in de hersenen van die muizen activiteitsveranderingen meten. “We hopen binnenkort de eerste biosensoren uit Twente te kunnen testen. Daarmee kunnen we de elektrische activiteit van groepen zenuwcellen meten, maar ook biochemische bepalingen doen.” Postdoc dr. Lotte de Groote zal die biochemische gegevens nader analyseren: “Als de hersenactiviteit verandert, vinden ook allerlei biochemische veranderingen plaats die we met de biosensoren snel zullen kunnen volgen.” “We werken met een volledig nieuw concept van migraine, waar ik alleen nooit op gekomen zou zijn”, besluit Ferrari enthousiast.
Top Besmet
Literatuur en Geneeskunde – LitMed – geeft inzicht in de beleving van ziek-zijn. Dat kan de zorg verbeteren. Vanaf nu verdiept prof. dr. Ad Kaptein (Medische Psychologie) zich voor elke Cicero in een boek waarin ziekte een rol speelt.
Newark, 1944. ‘Bucky’ is de toepasselijke bijnaam van de gymnastiekleraar. Groots en onverschrokken staat hij pal voor zijn leerlingen als Italiaanse schoffies fluimen spugen op het sportveld waar hij lesgeeft: “We komen de ziekte verspreiden!” Wanneer zijn leerlingen de locale zwakzinnige ervan beschuldigen de brenger van de epidemie te zijn - “Ruik maar! Hij stinkt naar poep. Hij wast zich niet. Hij is het die de polio draagt!” - springt hij voor hem in de bres.
Een epidemie doet mensen in wanhoop ‘schuldigen’ aanwijzen. Zoals de Italianen, de Joden, de naar poep ruikende zwakzinnige, de muggen, de hotdogs. Zij verspreiden iets – niemand weet wat. In 1944 is polio een veel voorkomende ziekte waarop de overheid en de samenleving geen greep hebben. De besmetting is snel, de cascade van ziekteverschijnselen verloopt onstuitbaar. “’s Nachts werd Donald wakker, met diarree, hoofdpijn en koorts. ’s Morgens kon hij niet meer staan, ‘mijn rechterbeen voelt alsof het dood is’. Donald heeft polio, drie dagen later ligt hij in een ijzeren long.” De foto’s uit oude leerboeken tonen de kleine hoofden die uit grote ronde ijzeren trommels steken, ondersteund door kussentjes, met verpleegkundigen in lange witte jurken die de zieken voorlezen uit boeken.
Dat lijken lang vervlogen tijden. Wij weten niet meer wat polio doet. Maar het thema ‘besmetting’ verdwijnt niet uit ons bestaan. Hiv, soa’s, tbc, sars en varkenspest zijn formidabele tegenstanders – de oorlogsmetafoor is niet toevallig. De aanvallers zijn duistere krachten, ongrijpbaar sluipend door onze verdedigingslinies. De overheid verdedigt zich door miljoenen vaccins in te kopen. De vijand trekt zich strategisch terug – niet door de vaccins, overigens. We blijven op onze hoede.
Met de behoedzame Bucky loopt het niet goed af. Hij zegt zijn klas vaarwel en gaat naar zijn geliefde. Wanneer ook Bucky polio blijkt te hebben, verlaat hij háár, Newark, en zijn sociale wereld. Hij verruilt de stad van de rassenconflicten en de zomerhitte voor een bestaan in een rolstoel, op een kantoor achteraf. Schaamte, walging over zichzelf en trots jegens het meisje brengen hem ertoe haar liefde af te wijzen. Zij schrijft hem een afscheidsbrief met als laatste zin het twintig keer herhaalde ‘my man’.
Het omslag toont niet deze man maar het poliovirus dat Bucky versloeg. In Nemesis gebruikt Philip Roth polio als katalysator voor het bestuderen van menselijk gedrag. Dat maakt van deze roman een studie naar pandemieën en besmettingsangst. Geen levensecht experiment natuurlijk, maar een experiment in een literaire reageerbuis.
Top Optreden vergelijkbaar met topsport
Onlangs vond in het LUMC een bijzonder concert én wetenschappelijk experiment ineen plaats. In samenwerking met het NTR-programma Pavlov werd onderzocht wat er gebeurt in het lichaam tijdens het neerzetten van een muzikale topprestatie. Terwijl harpiste Lavinia Meijer speelde, kon het publiek op een groot scherm haar hartslag, ademhaling en bloeddruk volgen. Tussen de muziekstukken door werd bloed afgenomen om het daarin aanwezige stresshormoon cortisol te meten.
De meetgegevens op het scherm verraadden dat de rust waarmee Lavinia op het podium zat schijn was. Bij stukken die in hoger tempo werden gespeeld liep de hartslag behoorlijk op, en ook tijdens het applaudisseren zag het publiek een direct effect op haar hartslag. Om het zichzelf extra moeilijk te maken speelde de van oorsprong Koreaanse harpiste een zelf gecomponeerd muziekstuk gebaseerd op een Koreaans volksliedje, én een stuk waarop ze pas drie dagen geleden was begonnen te studeren.
Esther van Fenema, psychiater van de Muziekpoli, werkte samen met het Centre for Human Drug Research (CHDR) mee aan dit unieke concert. “De eerste resultaten van onze metingen tijdens het concert zijn spectaculair en laten zien dat optreden biologisch gezien vergelijkbaar is met topsport”, vertelt Van Fenema. “Het stresshormoon blijkt ongelofelijk hoog te zijn, evenals de hartfrequentie. Het feit dat deze soliste ondanks de biologische opwinding toch zo fantastisch en rustig speelt is dus een topprestatie te noemen.”
Volgens Van Fenema is het belangrijk dat mensen beseffen dat optreden niet gewoon leuk en gezellig is. “We hebben nu aangetoond dat het heel veel vergt van lichaam en geest.” Dit is belangrijke informatie voor de psychiater die op de Muziekpoli veel podiumkunstenaars met psychische klachten ziet en behandelt. “Het kan verhelderen waarom veel musici kwetsbaar zijn voor klachten; je moet perfect in balans zijn om dit aan te kunnen.”
Na het optreden in het LUMC werd Lavinia niet direct losgekoppeld van alle meetapparatuur. De bloeddrukmeter bleef om voor een 24-uursmeting, ’s avonds stond er nog een groot concert in Amsterdam op de agenda. De uitzending van Pavlov met Lavinia Meijer is op vrijdag 9 december te zien, om 21.20 uur op Nederland 3. (MR)
Top Het hoofd koel houden
Mensen presteren het beste als hun ‘staat van opwinding’ gemiddeld is. Als het té saai of té spannend is, doe je het minder goed. Dat vertelt anesthesioloog Michael Müller de circa tweehonderd aanwezigen bij het regionale symposium van Traumacentrum West. Het symposium wordt dit jaar voor de tiende keer gehouden en het onderwerp is stress.
door Masja de Ree
Bij de politie word je snel volwassen, zegt Marlé van Tol, al 35 jaar politieman en sinds 1 april 2011 districtchef van het district Gouwe IJssel. Hij neemt de zaal mee naar één van zijn eerste diensten op straat, waar hij, achttien jaar oud, de melding van een zelfmoord voor een trein opvolgde en in één keer de stap maakte van een veilige jeugd naar de realiteit van de hulpverlener. “Met schokkende ervaringen als deze leer je omgaan”, zegt Van Tol. “En gelukkig mag je tegenwoordig emoties laten zien. Maar er zijn ook nieuwe aanvallen op de weerbaarheid van hulpverleners: de agressie die tegen hen gericht is neemt toe.”
Hoe functioneer je het beste in een spannende situatie en hoe voorkom je dat de stress van het moment gevolgen krijgt op de lange termijn? De tips van Müller, die in Duitsland op de ambulance werkt en directeur is van trainingscentrum ISIMED, zijn praktisch. Houd protocollen voor simpele handelingen simpel. Oefen procedures voor complexe situaties, want training helpt. Neem in een crisissituatie tien seconden de tijd om een plan te maken voor de volgende tien minuten. Müllers belangrijkste boodschap is dat mensen fouten maken. Dat moet je je realiseren en teamleden moeten zich vrij voelen twijfels te uiten, ook als het spannend wordt.
Niet bagatelliseren
Het draait vanavond om de veerkracht van de ‘geüniformeerde’, zegt Theo Helmus. “En om wat je moet doen als die veerkracht niet groot genoeg is.” Helmus is ambulancemedewerker en coördinator van het Bedrijfsopvangteam (BOT). In die rol stond hij collega’s bij die ter plaatse waren na de schietpartij in het winkelcentrum in Alphen aan den Rijn in april van dit jaar. Hij doet verslag van de gebeurtenissen die dag, vanuit het perspectief van de meldkamer- en ambulancemedewerker. “Je weet uit trainingen dat je in zo’n situatie de chaos tegemoet rijdt.” Hij vertelt van de collega die gewonden verzorgde in het winkelcentrum en die achteraf vertelde dat hij geen enkele patroonhuls had gezien, terwijl de gangen daar vol mee lagen. Het BOT vangt de hulpverleners in de dagen na het schietincident op en geeft hen de kans in groepjes ‘hun verhaal compleet te krijgen’. Er zijn veel ‘normale’ reacties op een traumatische gebeurtenis, heeft Rianneke van Gaag, GZ-psycholoog bij defensie, eerder op de avond verteld. “Belangrijk is dat je als hulpverlener erkenning krijgt voor het feit dat het heftig is wat je meemaakt. Laat je omgeving dat niet bagatelliseren.”
Empathie tonen
Bij Traumacentrum West, dat gevormd wordt door de spoedeisende hulpen van het LUMC, HagaZiekenhuis en MCH Westeinde, zijn in de praktijk niet alleen traumachirurgen met hun multidisciplinaire team en SEH-verpleegkundigen betrokken, maar ook politiemensen, ambulancemedewerkers en soms de brandweer. De traumazorg begint immers op straat. Al deze hulpverleners krijgen op het symposium de kans de aanstekelijke presentatie van de Amerikaan Vincent Covello bij te wonen. Hij is directeur van het New Yorkse Center for Risk Communication en toont goede en vooral ook slechte voorbeelden van communicatie op het scherp van de snede. Zoals de CEO van BP die na de olieramp in de Golf van Mexico voor de camera verzucht: “I just want my life back”, maar ook burgemeester Giuliani van New York na de aanslagen op het World Trade Center, die het er dankzij een minutieuze voorbereiding, zo toont Covello aan, aanzienlijk beter van afbrengt. Het belang van een goede communicatie in crisissituaties toont hij daarmee aan en hoewel zijn voorbeelden vooral betrekking hebben op de politiek en het bedrijfsleven, heeft hij tijdens de paneldiscussie toch ook concrete tips voor hulpverleners: luister actief, overlaad mensen niet met informatie, zeg het belangrijkste eerst en toon vooral empathie: “They want to know that you care before they care what you know.”
Top Kennis voor Chinezen
De afdeling Anesthesiologie ontvangt elke zes weken een delegatie artsen die komt kijken hoe hier anesthesie bedreven wordt. Eind september was het de beurt aan tien Chinezen. “Deze groep komt uit een land waar de zorg vrij goed is, maar we ontvangen ook artsen uit landen als Egypte en India, waar de zorgstandaarden minder hoog zijn”, vertelt LUMC-anesthesioloog Roald Schaad. Voor elke groep wordt een op hun interesse toegesneden programma doorlopen. Sommige komen vooral om hun technische kennis bij te spijkeren, maar deze groep is meer klinisch geïnteresseerd. “Ze willen vooral leren hoe wij hier met simulatieprogramma’s werken. We gebruiken die om zeldzame situaties die zich tijdens een operatie kunnen voordoen te oefenen.”
“Wij willen dat soort simulatieprogramma’s ook in China gaan gebruiken voor het trainen van artsen”, vertelt de Zuid-Chinese anesthesioloog dr. Zongbin Jiang. “Maar China is een groot land, dus is het lastig om dat overal in te voeren.” De Chinese anesthesiologen keken ook mee met de dagelijkse praktijk, de opleiding van arts-assistenten en het wetenschappelijk onderzoek. Het bezoek aan Nederland bevalt Jiang. “Het zijn goede docenten”, complimenteert Jiang Schaad en prof. Albert Dahan (Anesthesiologie). Hij is eerder in Europa geweest, in Frankrijk en Italië, maar het is zijn eerste bezoek aan Nederland. “De mensen zijn vriendelijk en het is hier erg schoon.” Wel vindt hij het jammer dat het tulpenseizoen is afgelopen. “Die groeien hier erg goed, veel beter dan bij ons in China”, zegt hij lachend.
“Wij zijn een van de weinige medische centra die zo vaak buitenlandse anesthesiologen ontvangen, maar we vinden dat het hoort bij een academisch centrum om kennis over te dragen”, zegt Schaad. En soms komen er leuke samenwerkingsverbanden uit voort. “De Egyptenaren die ons bezochten waren zo onder de indruk dat ze ons gevraagd hebben volgend jaar te helpen bij het inblazen van nieuw leven in hun landelijke anesthesiologiecentrum. Dat is leuk en leerzaam voor beide partijen”, aldus Schaad. (RH)
Top Dagje oncologie
Op 6 oktober organiseerde Boerhaave Nascholing een nascholingsdag over oncologie. Toevallig was het ook de dag van de huisartsendemonstratie. Veel huisartsen zijn het niet eens met de bezuinigingsplannen van minister Schippers en protesteerden die dag in de RAI. De huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde die wel aanwezig ware,n werden bijgepraat over ontwikkelingen op het gebied van onder meer screening en nazorg bij kanker. Cicero woonde een aantal voordrachten bij, zoals die van dr. Onno Guicherit, chirurg in het Haagse Bronovo Ziekhuis. Hij vertelde over de specialisatie van ziekenhuizen in de regio Leiden. Ziekenhuizen hebben afspraken gemaakt over wie welke kankersoorten behandelt. Het gaat dan om vormen die weinig voorkomen, maar een complexe behandeling vergen, zoals slokdarm- en alvleesklierkanker. “Dit heeft tot duidelijke verbetering in de overleving geleid”, aldus Guicherit. Huisartsen hebben meestal niet het overzicht welke operatie waar wordt gedaan, maar dat is ook niet nodig, zei Guicherit. “Alle betrokken ziekenhuizen verwijzen patiënten door naar een ziekenhuis dat zich op de betreffende kankersoort heeft toegelegd.”
Prof. Anne Stiggelbout, hoogleraar Medische Besliskunde, vertelde over shared decision making, oftewel dat arts en patiënt samen beslissen over de behandeling. Er is voor kankerpatiënten vaker wat te kiezen dan wordt gedacht, zei Stiggelbout. Bij de behandeling van endeldarmkanker bijvoorbeeld. In de richtlijnen staat dat er vóór de operatie bestraald moet worden. Dit verlaagt de kans op terugkomst van de kanker van 11 naar 6 procent, maar geeft vaak ook vervelende bijwerkingen zoals incontinentie. Gelukkig zijn er steeds meer mogelijkheden voor patiënten om mee te beslissen, zoals via folders, dvd’s en nu vaak ook websites, zoals www.kiesbeter.nl.
Over bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker vertelde Aafke van Roon, arts-onderzoeker in het Erasmus MC. Zij is betrokken bij de CORERO-studie die onder meer uitzocht welke vorm van screening het meest effectief is. Hieruit bleek dat meer dan 60 procent van de mensen te porren is om eenmalig een ontlastingsmonster op te sturen, terwijl maar een derde van de mensen komt opdagen als er met een camera in de darm naar voorstadia van darmkanker gezocht gaat worden. De minister besloot dit voorjaar dan ook om de eenmalige ontlastingstest in te voeren. Vanaf 2013 kunnen mensen van 65 jaar hier iedere twee jaar aan meedoen, en later iedereen tussen de 55 en 75 jaar. Van Roon ziet een belangrijke rol weggelegd voor huisartsen bij dit bevolkingsonderzoek. “Het is de bedoeling dat de huisarts patiënten met een positieve uitslag verder informeert en binnen drie weken een darmonderzoek (colonoscopie) regelt.” In gemeentes waarin de huisarts deze rol kreeg, deed 96 van de patiënten mee aan verder onderzoek. Terwijl in Amsterdam, waar de huisarts er niet bij werd betrokken, maar 82 procent met een ‘verdachte uitslag’ zich verder liet onderzoeken. Hoewel de minister 132 miljoen euro op de huisartsenzorg wil bezuinigen, lijkt hun takenpakket dus alleen maar te groeien. (RH)
Top De kaart van de rechterkamer
door Diana de Veld
De rechterharthelft ziet er anders uit dan de linker en werkt ook anders. Dat heeft onder meer consequenties voor de behandeling van hartfalen. Promovenda Annelies van der Hulst zocht het uit met verschillende methoden van beeldvorming.
Bij het hart zijn de taken netjes verdeeld: de linkerhelft verzorgt de grote bloedsomloop, de rechter de kleine. De linkerhelft pompt zuurstofrijk bloed door het hele lichaam, het zuurstofarme bloed stroomt weer terug naar de rechterharthelft. Die pompt het bloed naar de longen, waar er vers zuurstof vanuit de lucht in terechtkomt. De cirkel kan opnieuw beginnen.
Linkerkamer beter te behandelen
Over de linkerkamer, die de zwaarste taak op zich neemt en dus ook het grootst is, was altijd meer bekend dan over de rechterkamer. Problemen met de linkerkamer zijn ook beter te behandelen. “Helaas zijn er ook mensen met stoornissen van de rechterkamer”, vertelt Annelies van der Hulst (Kindercardiologie). Zij wijdde haar promotieonderzoek aan beeldvorming van de rechterhartkamer, om beter inzicht te verkrijgen in deze stoornissen en de behandelmogelijkheden.
“Het gaat vooral om mensen met tetralogie van Fallot, een aangeboren hartafwijking die chirurgisch verholpen kan worden”, legt Van der Hulst uit. “Daarna leiden deze mensen een normaal leven, maar ze blijven een verhoogde kans op hartproblemen houden.” Bij de operatie om de tetralogie te herstellen, wordt de vernauwde longslagader groter gemaakt. “Dat gaat helaas vaak ten koste van de klep bij die longslagader. Die kan gaan lekken, waardoor het hart uiteindelijk minder goed kan pompen – hartfalen noemen we dat. De klep kan vervangen worden, maar soms blijft het hart toch falen. Dan heb je weinig therapeutische opties meer ter beschikking”, aldus Van der Hulst.
Andere geometrie
Hartfalen van de linkerharthelft komt veel vaker voor. Dat heeft bij volwassenen meestal niet met aangeboren hartafwijkingen te maken, maar eerder met beschadiging van de hartwand door een hartinfarct. Het hart trekt dan niet meer mooi gelijkmatig samen.
Bij een deel van de patiënten met hartfalen kan met succes cardiale resynchronisatie-therapie worden toegepast: een pacemaker op beide hartkamers, die zorgt dat het hart weer gelijkmatig samentrekt en goed kan pompen. Is dat ook een optie voor hartfalen van de rechterkamer?
Om dat te onderzoeken, moet eerst bekend zijn hoe de gezonde én zieke rechterkamer beweegt tijdens het kloppen van het hart. Van der Hulst: “De rechterkamer heeft een heel andere geometrie. Dat klopt ook met wat we vonden: bij gezonde kinderen trekt de rechterkamer juist minder gelijkmatig samen. Bij kinderen met tetralogie van Fallot verloopt die samentrekking meer gelijktijdig. Precies andersom dus als bij de linkerkamer.”
Er bleek ook een verband te zijn met de hartfunctie: hoe gelijkmatiger de rechterkamer samentrok, hoe minder de hartfunctie. “Onze conclusie is dus dat je zeker niet zomaar een pacemaker op beide hartkamers moet zetten bij rechterkamerfalen. Je zou die pacemaker moeten modelleren naar contractietijdverschillen bij gezonde kinderen.” Van der Hulst gebruikte verschillende beeldvormende technieken, waaronder MRI, speckle tracking en tissue Doppler-imaging. Ze werkte samen met de afdelingen Radiologie en Hartziekten. “Het mooie is dat al die metingen met elkaar in overeenstemming waren”, aldus de promovenda.
Oude fysiologische stukken
Overigens zijn Van der Hulsts bevindingen eigenlijk niet helemaal nieuw. “Wij zagen dat bij de rechterkamer eerst de uitstroomcontractie plaatsvindt en dan pas de instroom – in tegenstelling tot wat je eigenlijk altijd hoort. Maar we ontdekten dat dit in oude fysiologische stukken al beschreven is! Het is alleen nooit opgemerkt. Iemand heeft een keer gezegd dat het andersom was en dat is daarna altijd overgenomen.” Gelukkig zijn er nog promovendi die de waarheid aan het licht brengen.
Annelies van der Hulst promoveerde op 20 oktober cum laude op het proefschrift Advanced echocardiography and cardiac magnetic resonance in congenital heart disease bij prof. Nico Blom (Kindergeneeskunde), prof. Jeroen Bax (Hartziekten) en prof. Albert de Roos (Radiologie).
Top Blijvertje - Onderzoek als achtbaan
Voor haar promotieonderzoek reisde Annelies Berden naar onder andere San Diego, San Francisco en Mexico. Maar ook figuurlijk voelde het traject soms als een achtbaan, met twijfels en hoogtepunten. “Tijdens een van die hoogtepunten onderging ik een blindedarmoperatie.”
door Caroline Burger foto Marc de Haan
In de rubriek ‘Blijvertje’ portretteren we een promovendus die na zijn promotie in het LUMC blijft werken.
Hoe begon het?
“In het tweede jaar geneeskunde startte er een traject voor excellente studenten. Ik had het geluk dat ik werd uitgekozen en zo de kans kreeg om onderzoek te doen. Al tijdens mijn studie zette ik zelf een klein onderzoek op met ongeveer veertig patiënten. Na mijn studie had ik de keus: coschappen of fulltime onderzoek? Ik koos voor onderzoek doen, een periode die soms voelde als een achtbaan, met hoogtepunten en twijfels.”
Zoals?
“Regelmatig vroeg ik me af: ‘Gaat dit wel lukken?’ Niet alle inspanningen worden met resultaat beloond. Een hoogtepunt in mijn carrière was een vergadering over vasculitis, een ontsteking aan de vaatwand, waarvoor al mijn internationale contacten naar Nederland kwamen. Helaas liep het totaal anders dan verwacht, ik onderging precies op dat moment een blindedarmoperatie. Vanuit bed heb ik me er nog wel mee bemoeid! Ook kon ik in het kader van mijn onderzoek veel op reis. Vasculitis is zeldzaam - tussen de tien en twintig mensen per miljoen per jaar krijgen deze ziekte. Het onderzoek is daarom erg internationaal georiënteerd. Ik ben onder meer in San Diego, Philadelphia, San Francisco, Mexico en Chapel Hill geweest.”
Vertel eens iets over je promotie?
“Ik onderzocht de mogelijkheden voor therapie op maat bij ANCA-geassocieerde vasculitis, een vorm van vaatwandontsteking waarbij antilichamen een rol spelen. Medicijnen hiervoor hebben veel bijwerkingen en zijn niet altijd effectief. Eén onderdeel was een klinische studie met ruim vijfhonderd patiënten van over heel de wereld. Op 13 oktober was de verdediging van mijn proefschrift. Een spannend moment, vooral het wachten vooraf in de kamer van de pedel! Na het lekenpraatje ging de eigenlijke verdediging razendsnel, voor ik het wist was het voorbij.”
Wat ga je nu doen?
“Op dit moment rond ik mijn coschappen af. Het werk in de kliniek is een grote uitdaging. Aan het bed ben ik net zo groen als mijn collega’s die geen onderzoek hebben gedaan. Stoppen met onderzoek doe ik zeker niet, ook al start ik volgend jaar met de opleiding tot internist in het LUMC. Onderzoek wordt een beetje ‘je kindje’, laten liggen zou zonde zijn. Er zijn nog zoveel nieuwe vragen!”
Verder promoveerden
Ellen ten Brinke, 29 september: Hemodynamic follow up after heart failure surgery. Promotoren: prof. Robert Klautz (Thoraxchirurgie) en prof. Ernst van der Wall (Hartziekten).
Rogier ten Hove, 4 oktober: Liver transplantation: chimerism, complications and matrix metalloproteinases. Promotor: prof. Bart van Hoek (Maag-, darm- en leverziekten).
Carola Krause, 5 oktober: Inhibition of signalling cascades in osteoblast differentiation and fibrosis. Promotor: prof. Peter ten Dijke (Moleculaire Celbiologie).
Judith de Leeuw van Weenen, 5 oktober: Dopamine D2 receptors in the pathophysiology of insulin resistance. Promotor: prof. Hanno Pijl (Endocrinologie).
Emalie Hurkmans, 6 oktober: Physical therapy and physical activity in patients with rheumatoid arthritis. Promotor: prof. Tom Huizinga (Reumatologie).
Linda van Driel, 11 oktober: Correlative light and electron microscopy: strategies and applications. Promotor: prof. Bram Koster (Moleculaire Celbiologie).
Lubna Razzaq, 11 oktober: Iris and iridociliary melanoma. Promotoren: prof. Gré Luyten en prof. Robert de Keizer (beiden Oogheelkunde).
Abraham Goorhuis, 12 oktober: Epidemiological explorations on Clostridium difficile infection. Promotoren: prof. Jaap van Dissel (Infectieziekten) en prof. Louis Kroes (Medische Microbiologie).
Annelies Berden, 13 oktober: ANCA-associated vasculitis: towards patient-tailored therapy. Promotor: prof. Jan Anthonie Bruijn (Pathologie). Zie hierboven.
Hans Heemskerk, 26 oktober: Refinement of antisense oligonucleotide mediated exon skipping as therapy for Duchenne muscular dystrophy. Promotor: prof. Gert-Jan van Ommen (Humane Genetica).
Sven Mieog, 26 oktober: Improving breast cancer outcome by preoperative systemic therapy and image-guided surgery. Promotor: prof. Cock van de Velde (Heelkunde).
Yuana Yuana, 27 oktober: Nanosized blood microparticles. Promotoren: prof. Susanne Osanto (Oncologie) en em. prof. Rogier Bertina.
Jeannette von Lindern, 27 oktober: Neonatal transfusion practices. Promotoren: prof. Frans Walther (Kindergeneeskunde) en prof. Anneke Brand (Transfusiegeneeskunde).
Michèle Sons, 1 november: Roles of neuro-exocytotic proteins at the neuromuscular junction. Promotor: prof. Jan Verschuuren (Neurologie).
David van Bodegom, 2 november: Post-reproductive survival in a polygamous society in rural Africa. Promotor: prof. Rudi Westendorp (Ouderengeneeskunde). Zie pag. 9.
Alexander Munts, 2 november: Complex regional pain syndrome related movement disorders: studies on pathophysiology and therapy. Promotor: prof. Bob van Hilten.
Phebe Adama van Scheltema, 3 november: Fetal pain. Promotoren: prof. Jan van Lith (Verloskunde) en prof. Frank Vandenbussche (UMC st Radboud).
Top Uit de kunst - Allerwerkelijkst
Licht, schaduw en landschap vormen de hoofdthema’s in de tekeningen en schilderijen van Koen Vermeule (1965). Het fluweelachtig licht in de herfst, waardoor de dingen er volgens Vermeule op hun allerwerkelijkst uitzien, gebruikt hij in zijn werk.
Hij schildert weidse, lege landschappen; vaak vers omgeploegde akkers die zich in eindeloze kavels tot aan de horizon uitstrekken. De donkere, rulle aarde brengt hij pasteus aan, waardoor de akkers als een tastbaar reliëf op het doek liggen. In zijn eerste schilderijen komen nauwelijks mensen voor. Pas de laatste jaren zijn mensen onderdeel van het landschap geworden en vormen ook steden het decor. De mensen treden op als anonieme figuren, vaak geeft hij alleen de contouren of een silhouet van een gedaante weer, zoals te zien op deze tekening. Het gaat Vermeule niet om de weergave van een karakter of om een duidelijk verhaal, eerder gaat het hem om de uitbeelding van de mens overgeleverd aan een oneindig mysterieus universum. De landschappen van Koen Vermeule hebben een ziel en maken de natuur tot klankbord van menselijke gevoelens. In die zin roepen de landschappen van Vermeule dezelfde existentiële vragen op als de landschappen van de achttiende-eeuwse Duitse schilder Caspar David Friedrich. Net als bij Friedrich gaan de voorstellingen van Vermeule over het raadsel van het leven. (SvN)
Koen Vermeule, Zonder titel (Beached), gouache op papier, 60 x 102 cm, 2008
Top
Downloads