LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
LUMC Home > Cicero > 2010 > 13 december 2010
 

13 december 2010

Nummer 10
Raadsels. We weten nog lang niet alles over ziekte en gezondheid

Wat brengt de toekomst? Hoogleraren wagen zich aan een voorspelling  Opeens weer gezond. Artsen vertellen over spontane genezingen







Bliep

Haalt u uw medicijnen bij de Poli Apotheek? Dan wordt u bediend door een medicijnenrobot die de aloude medicijnkast vervangt. De balie-assistente (van vlees en bloed) verwerkt het recept dat de patiënt overhandigt in de computer, die daarop automatisch een signaal naar de robot stuurt. Een grijparm haalt vervolgens het bedoelde medicijn uit een vakje en brengt dat naar het uitgiftebakje, waar een menselijke arm het er weer uit haalt (foto). Doordat de assistentes niet heen en weer hoeven te lopen, hebben ze meer tijd om patiënten uitleg te geven over hun medicijnen. Daarnaast is er door de automatische verwerking minder kans op fouten. Voor de zekerheid volgt aan de balie nog een laatste check van de streepjescode. Nog een voordeel: de robot neemt flink minder ruimte in. En dat komt in het LUMC zeker van pas.    

Top

Raadsels

Raadsels staan centraal in dit kerstnummer. Er valt nog altijd veel te ontcijferen in de medische wetenschap. LUMC’ers vertellen over de raadsels die zij willen oplossen, raadselachtige ziektes komen langs. En wat als de klacht een mysterie blijft? Een nummer over raadsels kan natuurlijk niet zonder puzzel.

Wij wensen u wonderlijke feestdagen.

De Redactie 

Top

Toekomstscenario’s

Het grootste raadsel is de toekomst. Met welke ziekten hebben we dan te maken, hoe worden we behandeld? Zes hoogleraren wagen zich aan een voorspelling.

door Willy van Strien - foto’s Arno Massee en Marc de haan

Martin Schalij, hoogleraar Cardiologie:

“Er zullen altijd patiënten zijn met hart- en vaatziekten, maar die ziekten beginnen op steeds latere leeftijd. We kunnen prachtige oplossingen bieden: medicijnen, een dotterbehandeling, stent, pacemaker, inwendige defibrillator, nieuwe hartklep of kunsthart. De mogelijkheden zijn onbegrensd. Alleen: als we op deze manier doorgaan, wordt de gezondheidszorg onbetaalbaar. Hoe houden we de kosten beheersbaar? Dat wordt de grote uitdaging voor de komende tien jaar.

Ik verwacht veel van beeldvormende technieken. We bouwen bijvoorbeeld een nieuwe katheterisatiekamer met een fantastisch röntgenapparaat, waarin cardioloog en chirurg gezamenlijk niet-invasieve ingrepen (waarbij er geen instrumenten het lichaam in gaan, red.) kunnen doen. En we kunnen straks driedimensionale echo’s maken, zodat je als het ware door het hart kunt lopen en de kleppen ziet bewegen. De chirurg ziet dan beter wat hij moet repareren. Deze vernieuwingen zijn in verhouding niet duur en leveren veel winst op.

Daarnaast gaan we ons richten op het moleculaire en cellulaire niveau om afwijkingen bij de bron te kunnen aanpakken. Het dichtslibben van slagaders bijvoorbeeld begint met een stoornis op celniveau. En binnenkort kunnen we onze patiënten ook buiten het ziekenhuis via internet voortdurend monitoren, zodat we hartproblemen meteen opmerken.”

Clemens Löwik, hoogleraar Endocrinologie:

“Ik voorzie een revolutie in de kankerchirurgie. We kunnen een tumor al prachtig afbeelden met technieken als MRI en SPECT, maar wanneer een patiënt eenmaal op de operatietafel ligt heeft de chirurg daar niets aan. Hij ziet soms nauwelijks wat gezond weefsel en wat tumorweefsel is.

In de toekomst maken we een tumor tijdens de operatie zichtbaar door een fluorescerend deeltje te koppelen aan een antilichaam dat specifiek aan die tumor bindt; als je dat belicht, geeft de tumor licht dat je met een speciale camera kunt zien. De rand brengen we apart in beeld door twee nabij-infrarood-fluorescerende deeltjes met een peptide (kort eiwit, red.) aan elkaar vast te maken. Ze doven elkaar uit zolang ze vlak naast elkaar zitten, maar als het peptide breekt, lichten ze op. Dat gebeurt alleen langs de rand, omdat de tumor daar knipenzymen inzet om het omliggend weefsel te vernietigen. Gezond weefsel, zoals zenuwbanen, geven we een andere fluorescerende kleur.

We maken voor de operatie een gedetailleerd driedimensionaal beeld, dat we tijdens de operatie over het driekleurige lichtbeeld projecteren. Gestuurd door die beelden verwijdert een operatierobot de tumor met een lasermes; snel, uiterst precies en grondig.”

Jaap van Dissel, hoogleraar Infectieziekten:

“Door toenemend gebruik van afweerremmende medicijnen worden mensen kwetsbaarder voor ziekteverwekkers. Die gaan steeds sneller de wereld over, meeliftend in vrachtcontainers, vliegtuigen of de darm van ‘bush’-toeristen. Toch worden infectieziekten geen grotere bedreiging, al zal een continue inspanning nodig zijn om ze onder de duim te houden en hebben we dringend behoefte aan nieuwe typen antimicrobiële middelen. Als we ziektegevallen maar snel opsporen, patiënten isoleren en behandelen en hygiënische maatregelen hooghouden, hoeven we niet bang te zijn voor grootschalige uitbraken.

De uitdaging voor de toekomst is een goede communicatie over infectieziekten naar het publiek. Als er een ziekte uitbreekt, zoals Mexicaanse griep, Q-koorts of SARS, lopen sociale media als Twitter en Facebook tegenwoordig voorop met informatie en meningen. Beleidsmakers en medici waren gewend eerst gegevens te verzamelen en te analyseren en pas naar buiten te komen als ze een wetenschappelijke conclusie hebben. Die luxe kunnen we ons niet meer veroorloven. We moeten meteen inspelen op de discussie en duidelijk aangeven wat we wel en niet weten, wat we aan de ziekte gaan doen en waarom. Zo kunnen we de gedachtevorming waar nodig bijtijds bijsturen.”

Christine Mummery, hoogleraar Ontwikkelingsbiologie:

“De toekomstverwachtingen omtrent stamcellen hebben we bijgesteld. Herstel van organen als hart en hersenen blijkt niet zo gemakkelijk als we hoopten. Toch zullen stamcellen in de geneeskunde een veelzijdige rol gaan spelen.

Een belangrijke toepassing ligt in het onderzoek. We kunnen sinds kort gewone lichaamscellen veranderen in stamcellen waarvan de nakomelingen zich in alle richtingen kunnen ontwikkelen: geïnduceerde pluripotente stamcellen. Dat biedt veel mogelijkheden. We hadden bijvoorbeeld nog geen goed model voor erfelijke spierziekten waarbij spierweefsel achteruitgaat. Nu kunnen we van een patiënt huidcellen afnemen, veranderen in stamcellen en daaruit spiercellen kweken met die afwijking. Dat geeft ons een onbeperkte hoeveelheid studiemateriaal om na te gaan waarom die spiercellen doodgaan en hoe we dat proces kunnen remmen.

Je kunt volop fantaseren over klinische toepassingen van deze nieuwe stamcellen. Het is in theorie bijvoorbeeld mogelijk om uit huidcellen van een vrouw stamcellen te maken en daar spermacellen uit op te kweken. Wie weet vinden we het over vijftig jaar heel normaal dat lesbische stellen op deze manier kinderen krijgen. Op kortere termijn zullen stamcellen ingezet worden tegen onder meer suikerziekte, ouderdomsblindheid en bepaalde vormen van dwarslaesie.”

Peter de Knijff, hoogleraar Populatiegenetica:

“Het ontcijferen van DNA wordt in hoog tempo makkelijker en goedkoper. Tot nu toe zijn we daarvoor afhankelijk van de polymerase kettingreactie (PCR), waarmee je een specifiek fragmentje DNA vermenigvuldigt om vervolgens te analyseren. Dat is binnenkort overbodig. We kunnen nu DNA rechtstreeks en in zijn geheel sequencen (de DNA-volgorde bepalen, red.), en dat wordt alleen maar gemakkelijker, hoe weinig we ook hebben.

We kunnen nu al in een spoortje bloed het gehele menselijke DNA aflezen. In de toekomst zullen we ook al het DNA van de bacteriën die iemand bij zich draagt kunnen bepalen. Dit zogenoemde metagenoom van met mensen geassocieerde micro-organismen zal zeer informatief blijken. In de kliniek hoeven microbiologen misschien geen bacteriekweken meer op te zetten om te zien wat voor infectie iemand heeft. En het forensisch onderzoek krijgt veel meer informatie om misdrijven op te lossen. Over tien jaar is dit routine.

Voorwaarde is wel dat we al het gesequenste DNA kunnen interpreteren. Daar ligt de grootste uitdaging: de bio-informatica. Op dit vakgebied zijn veel verbeteringen nodig om de vorderingen in het sequencen bij te benen.”

Rudi Westendorp, hoogleraar Ouderengeneeskunde:

“We leven in 2050. De gemiddelde levensverwachting voor mannen is 88 jaar, voor vrouwen 94 jaar. Pas in de laatste tien levensjaren krijgen mensen serieuze gezondheidsproblemen.

Gelukkig is de epidemie van alzheimer bijna voorbij; er zijn wel mensen die dementie ontwikkelen, maar het is geen volksziekte meer. We hebben de ziekte van Alzheimer weten te bedwingen zoals we vroeger tuberculose en hartziekten hebben overwonnen. Dat is dankzij preventie: alzheimer is mede het gevolg van slechte bloedvaten en te voorkomen met veel lichamelijke activiteit en een kordate behandeling van hoge gehaltes cholesterol en bloedsuiker en hoge bloeddruk. Ongelooflijk kortzichtig dat het in 2010 nog vanzelfsprekend was dat de dokter daarvoor geneesmiddelen voorschreef. Terwijl het toen al normaal was dat mensen met suikerziekte hun bloedsuikerspiegel zelf bepaalden en insuline spoten. Dat men niet inzag dat die zelfcontrole op andere terreinen ook kon! Nu regelen mensen zelf het gebruik van cholesterolverlagers, bloedverdunners en bloeddrukpillen. Met veel betere resultaten. Spierzwakte bij ouderen verhelpen we met stamceltherapie. Kanker blijft wel een bedreiging. Verder zijn het vooral evenwichtsproblemen die oudere mensen parten spelen, maar daar vinden we in de toekomst vast een oplossing voor.”

Een operatierobot verwijdert de tumor met een lasermes; snel, uiterst precies en grondig.

Wie weet vinden we het over vijftig jaar heel normaal dat lesbische stellen kinderen krijgen via huidcellen.

Top

Drie nieuwe veni’s

Drie biologen, drie VENI-subsidies en drie raadsels. Drie raadsels die de onderzoekers al jarenlang stimuleren om zich te begeven op goeddeels onontgonnen biomedisch terrein. Want over een ding zijn de winnaars het roerend eens: een raadsel wordt boeiender zodra begint door te schemeren dat de oplossing in de kliniek kan worden toegepast.

door Inge van der Hoeven - foto Marc de Haan

Machteld Tiemessen

Verschillende identiteiten

“De T-cel is toch echt wel mijn raadsel. Hij vormt de rode draad in mijn onderzoek sinds mijn studie biologie. En ja, hij blijft me fascineren. Vooral omdat de T-lymfocyt een ongelofelijk belangrijke uitvoerende taak vervult in het immuunsysteem. Het is een celtype dat zich kenmerkt door een enorme diversiteit en plasticiteit. En bij een gezond individu is het allemaal in balans, maar ik wil natuurlijk weten wat er gebeurt als de organisatie verstoord raakt.

Op een gegeven moment hebben we ontdekt dat in sommige T-cellen een bepaalde route is geactiveerd. Die route (ofwel de manier waarop de cel is geprogrammeerd, red.) zegt iets over wat er met die T-cellen gaat gebeuren. Wat ik wil uitzoeken is waar volwassen T-lymphocyten deze specifieke programmeermodus voor gebruiken. Om verschillende identiteiten aan te nemen? Om veel te produceren? Nu weten we het nog niet. Maar als we erachter komen, kunnen we de productie misschien zelf gaan beïnvloeden, bijvoorbeeld bij mensen met een auto-immuunziekte.

Hoe oud ik ben? Vijfendertig al, een beetje oud om nog een Veni-subsidie te krijgen. Tot maximaal drie jaar na je promotie mag je die aanvragen. Maar omdat ik in die periode twee kinderen heb gekregen mocht ik daar nog eens drie jaar bij optellen. Daar heb ik wel geluk mee gehad, want door die paar jaar extra heb ik al wat meer onderzoek kunnen doen. En dat is nu juist het mooie van dit Veni-project: alle technieken en interessegebieden uit mijn onderzoekscarrière komen nu samen. Maar we moeten wel opschieten: er zijn ook heel veel andere onderzoekers mee bezig.”  

Wiep Klaas Smits

Ziekmakende neefjes

“Als je van de geheime dienst bent en je wilt een vijand bestrijden dan moet je hem door en door leren kennen. Dat is wat ik nu ga doen met Clostridium difficile, een bacterie die infecties veroorzaakt aan het spijsverteringskanaal. Bij veel mensen komt hij voor zonder problemen te veroorzaken. Maar als je wordt behandeld voor een andere infectie, dan is de kans groot dat Clostridium resistent is tegen de antibiotica. De gifstoffen die hij produceert, kunnen milde diarree veroorzaken. Maar ze kunnen ook leiden tot zo’n ernstige darmontsteking dat er een stuk darm moet worden verwijderd of dat de patiënt overlijdt (zie ook pag. 22 van deze Cicero.)

Tot maart heb ik onderzoek gedaan naar het onschuldige neefje, Bacillus subtilis. In tegenstelling tot de schadelijke Clostridium wordt Bacillus al sinds de jaren zeventig moleculair onderzocht. Het is een bacterie die je gemakkelijk genetisch kunt manipuleren en dat bood me dan ook een goede basis om technieken aan te leren. Met die technieken besloot ik ook te gaan onderzoeken hoe Bacillus’ ziekmakende neefjes eiwitten aanmaken. Een pittige taak, omdat het genoom van Clostridium nog maar sinds 2006 bekend is en omdat we hem alleen in een zuurstofloze ruimte kunnen kweken.

De heilige graal in de microbiologie is om een model voor de hele bacterie te maken. Het scheelt dan dat de meeste micro-organismen maar één chromosoom hebben: je weet precies waar je mee werkt. Fundamenteel onderzoek zit echt in hart en nieren bij mij, maar bij dit project is het dubbel zo interessant dat je zicht hebt op een klinische toepassing van je vindingen.”

Daniël Pijnappels

In de war

“Van raadsels heb ik altijd al gehouden. Vroeger in de achtertuin, maar nu in het elektrofysiologisch laboratorium van de afdeling Hartziekten. Wat mij vooral trekt in onderzoek is de abstracte en creatieve manier van denken. Neem hartritmestoornissen. Wat misschien niet iedereen beseft, is dat het eigenlijk een elektronisch stroompje is dat de hartspier steeds opnieuw doet samentrekken. En dat die samentrekking in de war raakt als het stroompje er niet meer doorheen kan schieten of juist continu blijft rondcirkelen. De oorzaken zijn diverse, maar in het algemeen wordt het onderliggende substraat niet goed begrepen en is de behandeling lastig. Daarvoor moeten we eerst begrijpen wat er nu precies anders is in het weefsel van een hart met een ritmestoornis. Hart- en vaatziekten horen bij de top drie van belangrijkste doodsoorzaken.

Met behulp van gekweekte hartcellen, bindweefselcellen, maar ook stamcellen, maak ik verschillende samenstellingen en vormen van gezond en ziek weefsel. Ik onderzoek hoe elektrische stroompjes zich in deze weefsels gedragen. Met biological blueprints, coupes van beschadigd hartweefsel, zal ik de substraten voor ritmestoornissen gaan reproduceren en daarmee hoop ik een deel van het raadsel op te gaan lossen. Ik doe dat samen met een enthousiast onderzoeksteam. Het LUMC is de ideale omgeving, niet alleen vanwege de kennis en apparatuur, maar ook vanwege de dertig meter tussen lab en kliniek. Dit draagt verder bij aan een sterk translationeel (vertaling van lab naar kliniek en omgekeerd, red.) karakter.” 

Top

Groeisignaal blokkeren

Hans Gelderblom is per 1 december benoemd tot hoogleraar Interne Geneeskunde, in het bijzonder de experimentele oncologische farmacotherapie. Via de telefoon legt de kersverse hoogleraar uit dat zijn takenpakket niet direct gaat veranderen. “De benoeming en de daarbij behorende taken zijn eigenlijk een continuering van wat ik al deed, al is het nu geformaliseerd binnen een clinical trial unit. Ik houd me in eerste instantie bezig met het ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen tegen kanker. Daarnaast proberen we, door middel van genetisch onderzoek, de bestaande geneesmiddelen beter in te zetten.” In de onderzoeksgroep van Gelderblom zitten dan ook promovendi vanuit de Interne Geneeskunde, maar ook apothekers in opleiding. Er is een nauwe samenwerking met de collega’s van de apotheek.

Sinds zijn komst naar het LUMC richt Hans Gelderblom zich al op het vroeg-klinisch onderzoek van nieuwe medicijnen tegen kanker. Dat is het eerste onderzoek bij patiënten na het proefdierenonderzoek. Verder ligt zijn focus op sarcomen, dat zijn tumoren in het bot en de weke delen, zoals het bind- en steunweefsel. En wat brengt de toekomst? “We gaan steeds beter begrijpen waardoor tumoren groeien en hoe we dat groeisignaal moeten blokkeren. Dat vind ik ongelooflijk spannend.” (CW)

Top

Nieuwe oorzaak Treacher Collins syndroom ontdekt

LUMC-onderzoekers onthullen in Nature Genetics (5 december) twee nieuwe genen die verantwoordelijk kunnen zijn voor het Treacher Collins syndroom. Deze genetische aandoening leidt tot misvormingen in het gezicht en functionele beperkingen zoals gehoor- en slikproblemen. Jaarlijks worden er in Nederland ongeveer vier kinderen geboren met dit syndroom, dat bij ongeveer 1 op de 50.000 mensen voorkomt.

In de jaren negentig is er een gen (TCOF1) ontdekt dat bij veel van deze mensen gemuteerd is, maar niet bij alle. Mutaties in twee andere genen (POLR1D en POLR1C) blijken nu ook voor dit syndroom verantwoordelijk te kunnen zijn. “Naar deze resterende genen is lang gezocht”, zegt prof. dr. Martijn Breuning (Klinische Genetica). “Deze twee genen verklaren een groot deel van de overige gevallen van het Treacher Collins syndroom.”

Het Treacher Collins syndroom (TCS) is een dominante aandoening; als een van beide ouders erdoor getroffen is, heeft een kind 50 procent kans het ook te hebben. “De nu ontdekte genen maken eiwitten, waarvan de hoeveelheid misschien essentieel is voor de embryonale aanleg van het gezicht. Bij de verdere ontwikkeling is die hoeveelheid klaarblijkelijk minder kritisch”, zegt eerste auteur ing. Hans Dauwerse (Klinische Genetica). Dat verklaart waardoor TCS-patiënten alleen misvormingen in het gelaat hebben, en verder fysiek en mentaal gezond zijn.

De Afdeling Klinische Genetica van het LUMC zoekt intensief naar oorzaken van aangeboren afwijkingen, verstandelijke beperkingen en erfelijke ziekten. Daarbij worden de nieuwste technieken voor DNA-onderzoek snel toegepast in de medische praktijk. (RH)

Top

Uit de Geldboom

Dr. Magnus Palmblad (Parasitologie) en dr. Gisela Terwindt (Neurologie) hebben een Vidi-subsidie van NWO gekregen. In het januarinummer van Cicero leest u hier meer over.

ZonMw heeft een doelmatigheidssubsidie van 468.000 euro toegekend aan dr. Ingrid Jazet van de afdeling Endocrinologie/AIG. Zij krijgt deze subsidie voor een grootschalig onderzoek naar het effect van gewichtsafname op type 2 diabetes. Dit onderzoek wordt samen met het St. Antonius Ziekenhuis, het Rijnstate Ziekenhuis en de LUMC-afdelingen Medische Besliskunde, Medische Statistiek en Public Health & Eerstelijnsgeneeskunde uitgevoerd. 

Top

In de Prijzen

Prof. dr. Humphrey Kanhai, gynaecoloog-perinatoloog is 13 november door Koning Beatrix benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Op zaterdag 15 november ontving dr. Just Eekhof de prijs voor het meest gedownloade artikel van de NTvG-website. Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) organiseert deze dag jaarlijks voor iedereen die heeft bijgedragen aan het tijdschrift.

Internist-infectioloog Mark de Boer kreeg voor zijn immunologisch onderzoek de Young Investigator Award op de jaarlijkse meeting van de Infectious Diseases Society of America (IDSA) in Vancouver.

Tijdens het jaarcongres van Nederlandse Vereniging voor Vasculaire Geneeskunde (NVVG) heeft dr. Erik Klok (internist in opleiding) de NVVG-MSD Vasculaire Geneeskundeprijs in ontvangst mogen nemen.

Loes Jaspers, geneeskundestudente, won de prijs voor beste Young Investigator Presentation op het tweejaarlijkse congres van de International Gynecologic Cancer Society (IGCS) in Praag.

De Wim Schellekens-prijs werd gewonnen door Danielle Cohen tijdens het 37e Gynaecongres te Papendal. Zij kreeg de prijs voor haar voordracht over afstoting als mogelijke oorzaak voor herhaalde miskramen.

De prijs voor beste posterpresentatie is gewonnen door dr. Kees Swenne, docent van de afdeling Hartziekten. Hij kreeg de prijs tijdens het jaarlijkse congres van de Nederlandse Vereniging van Medisch Onderwijs.

Op de jaarlijkse contactdag, gehouden op 6 november, is medisch maatschappelijk werkster Inge van Leeuwen van STOET (Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren) onderscheiden als ridder in de orde van Oranje-Nassau.

Het Centre for Medical Systems Biology (CMSB) wint dit jaar de Valorisation Award van het Netherlands Genomics Initiative (NGI), samen met het NKI. Zij delen het prijzengeld van 1 miljoen euro. LUMC-hoogleraar Gert-Jan van Ommen, hoofd van het CMSB, nam de award in ontvangst.

Tijdens het jaarlijkse congres van The American Society of Nephrology heeft Suzanne Wilhelmus (Pathologie) de Pirani-Award van de International Renal Pathology Society gewonnen. Zij kreeg de prijs voor haar onderzoek naar de mogelijke invloed van zwangerschap op de ziekte SLE.

Op 7 december heeft prof. dr. Kees Melief een KWO-prijs van KFW Kankerbestrijding in ontvangst genomen. De KWO-prijs is de hoogste prijs in het wetenschappelijk onderzoek naar kanker. Het eraan verbonden geldbedrag van 2 miljoen euro wordt besteed aan onderzoek naar immuun­therapie.   

Top

Mysteries ophelderen met MRI

Ruim drie jaar staat hij er nu: de MRI-scanner met een magnetische veldsterkte van 140.000 keer het aardmagnetische veld, oftewel ‘de 7 Tesla’. De experimentele machine, één van slechts 35 exemplaren in de wereld, is binnen het LUMC volop in gebruik. Maar waarvoor eigenlijk? Wat gebeurt er in dat gebouwtje aanpalend aan het hoofdgebouw?

door Diana de Veld

“Het apparaat is geleverd door Philips, maar nog niet zo af als de 1,5 of 3 Tesla MRI-scanners die elders in het LUMC gebruikt worden”, vertelt prof. dr. Andrew Webb, die als hoogleraar Fysica van MRI verbonden is aan het C. J. Gorter Instituut voor hoogveld-MRI. Binnen dit LUMC-instituut bevindt zich de supersterke MRI-scanner. “Daarom is er een team van fysici dat technische aanpassingen kan maken en technische problemen oplost. Maar dat is niet alles waar we ons mee bezighouden. Er wordt al veel onderzoek gedaan naar bepaalde ziektes, en artsen kunnen de scanner ook gebruiken om in meer detail naar hun patiënten te kijken.”

Van oudsher – voor zover je daarvan kunt spreken: de eerste MRI-scanner werd minder dan veertig jaar geleden gebouwd – wordt MRI vooral gebruikt voor beelden van hersenen. Niet alleen omdat die bijzonder interessant zijn, maar ook omdat het hoofd door zijn geringe afmetingen relatief makkelijk af te beelden is. “Wij hebben de machine zó aangepast, dat we er ook andere delen van het lichaam mee kunnen bekijken. Bijvoorbeeld het hart, het ruggenmerg en de gewrichten. Dat is erg ongebruikelijk en het LUMC loopt hierin wereldwijd voorop”, zegt Webb trots. Op dit moment gaan elke week vijf tot zes patiënten en een stuk of tien proefpersonen de MRI-scanner in. Hoe vinden ze het? “We hebben een studie gedaan naar de ervaringen van mensen in de 7 Tesla-scanner”, antwoordt de hoogleraar. “Die blijken gelukkig niet te verschillen van die bij een ‘gewone’ MRI-scanner.” Dat was ook niet te verwachten, aangezien de magnetische velden in principe onschadelijk zijn.

IJzerstapeling

Het patiëntgebonden onderzoek richt zich op veel verschillende aandoeningen. “Het geld dat we krijgen voor ons onderzoek, zoals van het Center for Translational and Molecular Medicine, is meestal bestemd voor specifieke ziekten, zoals reuma of alzheimer”, legt Webb uit. “Maar om dat onderzoek te kunnen uitvoeren, is vaak ook veel technisch werk nodig. We werken dan ook met een mengelmoes van mensen, zoals natuurkundigen, fysiologen en specialisten in beeldbewerking.” Webb rijdt zijn stoel richting de pc en toont allerlei prachtig gedetailleerde beelden die het resultaat zijn van deze combinatie. Bijvoorbeeld van hersenen met daarin de bloedvaatjes, als een sierlijk sliertenwerk. Of met plaques, opstapelingen van eiwitten in de hersenen. “We kijken naar hersenziekten als alzheimer, huntington, neuropsychiatrische SLE en CADASIL. Bij dit soort ziekten blijkt er vaak een afzetting van ijzer in de hersenen te zijn. Dat wisten we al van gewone MRI-scans bij patiënten, waar je plaatselijke ophopingen met een hoge concentratie ziet. Maar dankzij de 7 Tesla-scanner weten we nu dat er in een eerder stadium al een homogeen ijzer­niveau is, hoger dan bij gezonde controles.” Of die ijzerstapeling oorzaak of symptoom is van de hersenziekte, is nog niet bekend, benadrukt Webb.

Zelfgebouwde detectors

“Behalve met Neurologie werken we minstens evenveel samen met de afdeling Hartziekten: bijvoorbeeld om plaques in de kransslagaderen van het hart of in de halsslagader af te beelden.” Webb toont daar beelden van, maar ook een indrukwekkend MRI-filmpje van een kloppend hart, in 3D. “Voor mij is het niet te beoordelen, maar cardiologen kunnen hieruit afleiden welk deel van de hartspier niet goed samentrekt”, licht hij toe. Het team kijkt verder ook naar vetopslag in de hartspier, met name in relatie tot diabetes en afvallen. “Behalve plaatjes kunnen we ook spectra maken, die iets zeggen over de chemische samenstelling in het lichaam.”

Om organen anders dan de hersenen af te beelden, zijn in het C. J. Gorter Instituut speciale detectors gebouwd. Hij toont een plaatje van zo’n exemplaar voor het hart, een soort ring vol elektrodes gebouwd door prof. dr. Nadine Barrie Smith. “Als je zulke detectors commercieel laat bouwen, ben je zó honderdduizenden euro’s kwijt”, weet Webb. “Met onze zelfgebouwde detectors hebben we veel meer onderzoeksmogelijkheden.” Zoals onderzoek samen met de afdeling Reumatologie. Plaatjes van het ruggenmerg of de gewrichten in pols of knie kunnen het ziekteproces al eerder in beeld brengen. “Juist bij reumatische aandoeningen is het belangrijk om snel met therapie te beginnen.” 

Hele lichaam

De patiënten die niet voor wetenschappelijk onderzoek maar voor hun eigen diagnostiek de scanner in gaan, hebben problemen met hart of hersenen, of lijden mogelijk aan reumatische aandoeningen. “Voor bepaalde lichaamsdelen kunnen we veel betere beelden leveren dan de conventionele MRI-scanner”, aldus Webb. “Hoewel de diagnose formeel nog niet op basis van 7 Tesla-beelden gesteld mag worden, is het voor radiologen en behandelaars toch erg handig, vooral als het gaat om kleine afwijkingen – weer die vroege diagnostiek! – of afwijkingen met een onduidelijke typering.”

In de toekomst moet de 7 Tesla-scanner voor álle organen beter scoren dan MRI-scanners met een lagere veldsterkte, hoopt Webb. “De resolutie is sowieso hoger; je ziet dus kleinere details. Maar het probleem is dat je minder diep in het lichaam komt met deze magnetische velden, die ook een hogere frequentie hebben”, legt Webb uit. “Dat kun je oplossen door vanuit verschillende richtingen te ‘kijken’, zodat je toch een uniform beeld krijgt. Daar werken we hard aan.” Het ultieme doel: het hele lichaam afbeelden. Niet om dat hele lichaam in één keer te kunnen zien, maar wel om ook organen als de lever in het vizier te krijgen. Dat is nu nog niet mogelijk.

Ethische vragen

Denkt Webb trouwens dat MRI-scans ons ooit antwoorden gaan opleveren op fundamentele vragen over het bewustzijn? “Met onze scanner doen we weinig onderzoek in die richting, maar elders gebeurt dat wel”, antwoordt de hoogleraar. “Zo weten we al welke hersendelen betrokken zijn bij het maken van beslissingen, en ook dat die beslissingen tot stand komen voordat iemand zich er bewust van is. We weten ook dat mensen met gewelddadige psychoses een fysieke connectie tussen bepaalde hersendelen missen. En de CIA heeft een onderzoek gefinancierd naar leugendetectie op basis van MRI. Zonder bruikbaar resultaat – gelukkig, zou ik zeggen.” Dit soort onderzoek brengt ook ethische vragen in beeld. “Moet je de strafmaat aanpassen als een crimineel fysieke hersenafwijkingen heeft waardoor hij tot zijn daden komt? En is het ethisch verantwoord om met neuro-economics te onderzoeken hoe je producten het beste kunt verkopen?” Misschien moeten sommige mysteries van het brein maar onopgehelderd blijven...  

De resolutie van de 7 Tesla is hoger; je ziet dus kleinere details

De CIA heeft onderzoek gefinancierd naar leugendetectie op basis van MRI

Hoog-resolutie opname van de hersenen van een CADASIL patiënt. CADASIL is een erfelijke ziekte waarbij al op jonge leeftijd de kleinste vaten in de hersenen schade oplopen. De gele pijl geeft schade aan de witte stof aan, terwijl de rode pijl kleine gaatjes onder de hersenschors aanwijst.

Top

Hoe verslaan we het mysterie van de dood?

In juni van dit jaar overleed dr. Darius Nelson, een bejaarde huisarts uit Californië. Maar zelf zou hij ongetwijfeld zeggen van niet. Nelson was namelijk klant van Alcor, een Amerikaans bedrijf dat mensen na hun dood via een speciale procedure invriest. Alcor heeft nu al zo’n negentig mensen in ‘cryoconservatie’. Soms hun hele lichaam, soms alleen hun hoofd – de plek waar de persoonlijkheid zich zou moeten bevinden. Dat kost 150.000 respectievelijk 80.000 dollar. Dr. Nelson en de andere klanten van Alcor betalen niet voor niets zulke hoge bedragen: ze hopen dat de medische wetenschap ooit in staat is om hun ontdooide lichaam weer tot leven te wekken. En om de ziekten en ouderdomsverschijnselen te verhelpen waaraan ze overleden – zoals prostaatkanker, in het geval van Nelson. Het uiteindelijke doel: onsterfelijkheid.

door Diana de Veld 

Uithongeren

Terwijl voor sommigen de dood niet snel genoeg kan komen, zijn er gelukkig ook genoeg mensen die nog te veel plannen en wensen hebben om óóit de pijp aan Maarten te willen geven. Op velerlei manieren streven zij ernaar de dood uit te stellen, of liever nog: voorgoed uit te bannen. Met invriesacties zoals hierboven beschreven, maar bijvoorbeeld ook door enorme doses vitaminen te slikken. Of dat zin heeft is zeer de vraag. Vitamines zijn nodig om gezond te blijven, maar dat betekent niet automatisch dat meer dan de aanbevolen hoeveelheid een extra positief effect heeft. Te veel vitamine D kan juist tot verlies van calcium uit de botten leiden. En van te veel vitamine A krijg je leverklachten.

Wie te weinig eet, kan soms wél goed wat vitaminepillen gebruiken. Zoals de aanhangers van calorierestrictie. Zij geloven dat je langer leeft als je jezelf continu uithongert. Het verkleint je kans op ziekten als diabetes en kanker, maar de hongeraars baseren zich vooral op dierexperimenten. Als muizen en ratten maar zo’n 50 tot 70 procent van de normale hoeveelheid calorieën mogen nuttigen, blijken ze zo’n 30 procent langer te leven. Helaas is het nog niet aangetoond dat dit ook voor mensen geldt, al zijn de resultaten bij apen veelbelovend. Bij streng diëten liggen in elk geval risico’s op de loer, zoals onvruchtbaarheid en osteoporose.

Toevallige foutjes

Het zou natuurlijk het mooiste zijn als je de dood kunt uitbannen zonder je leefstijl aan te passen. Bijvoorbeeld doordat de geneeskunde in staat is om alle schade aan je lichaam te herstellen. Met stamcellen zou je in het lab een nieuwe lever kunnen laten groeien als de jouwe kapot is, zodat je die ‘eenvoudig’ kunt vervangen. Van je eigen cellen, dus zonder afstotingsreacties. “Kweken van reserve-organen wordt misschien mogelijk in de verre toekomst, voor lever, huid, misschien hart en nier”, denkt stamcelexpert prof. dr. Christine Mummery (Anatomie & Embryologie). “Maar voorlopig denken wij eerder aan orgaanreparatie. Als je niet doodgaat aan leverfalen, dan leef je natuurlijk langer, maar ik denk niet dat we voorbij de 120 jaar komen. Op een gegeven moment gaat alles fout: het immuunsysteem verslapt waardoor we infectieziektes oplopen, de celdeling ontspoort waardoor we kanker krijgen, enzovoorts.” Gezonde ouderdom is dan ook het mooiste vooruitzicht, vindt Mummery. Misschien moeten we onze onsterfelijkheid dan zoeken bij gentherapie? Gedurende ons leven ontstaan schade en fouten in het DNA, die met gentherapie potentieel te repareren zijn. Prof. dr. Gert-Jan van Ommen (Humane Genetica): “Ik zie de genetica niet een-twee-drie - en trouwens ook niet vier-vijf-zes - iets doen aan de enorme cascade van toevallige foutjes, zo’n vijftig per celdeling, tijdens het leven. We vinden vast een paar genen, waarschijnlijk in onze insulinehuishouding, die ooit met gentherapie te veranderen zijn zodat we iets langer kunnen leven.” Ook Van Ommen gaat het niet zozeer om langer leven, maar om korter doodgaan. “Denk aan chronische ziekten waarmee mensen jarenlang bij de dokter lopen.” Misschien zal de genetica wél bijdragen aan het ontwikkelen van diagnostiek, medicatie en preventie. “Wellicht een combinatie van die laatste twee. Zo zou het individu zijn zwakke plekken eerder en beter in beeld kunnen krijgen en tijdiger preventief in actie kunnen komen.”

Gedownloade geest

Als de geneeskunde ons geen onsterfelijk lichaam kan bieden, dan moeten we maar uitwijken naar minder kwetsbare materialen als silicium, vinden de transhumanisten. Download je gehele herseninhoud naar een computer, die vervolgens jouw geest simuleert, en je leeft oneindig voort. En nou maar hopen dat je bewustzijn braaf meeverhuist.   

Mensen die zich laten invriezen hopen onsterfelijk te worden.

Het kweken van reserve-organen wordt misschien mogelijk in de verre toekomst.

Top

Gezond en toch klachten

Iedereen heeft er wel eens last van: hoofdpijn, buikpijn of vermoeidheid zonder dat je weet hoe je eraan komt. Vervelend wordt het pas echt als de klachten lang aanhouden en je beperken in je dagelijks leven. Maar er is iets aan te doen.

door Caroline van der Schaaf - foto Arno Massee

Veel mensen die bij de huisarts of een specialist aankloppen, hebben lichamelijke klachten waarvoor geen oorzaak gevonden kan worden. Lastig voor zowel arts als patiënt. “De huisarts voelt zich vaak gefrustreerd omdat die de patiënt niet kan helpen. De patiënt op zijn beurt denkt: ik ga maar niet meer naar de huisarts, want die zal me wel een zeur vinden”, zegt dr. Ingrid Arnold, huisarts en gastdocent in het LUMC. Zij promoveerde in 2006 op een proefschrift over somatoforme stoornissen.

Maar liefst één op de zes mensen in de wachtkamer van de huisarts kampt met ‘Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten’ (SOLK), zoals ze tegenwoordig worden aangeduid, zegt Arnold. “En dan gaat het echt om mensen die zodanig worden beperkt door die klachten dat ze niet meer kunnen werken of niet meer voor hun kinderen kunnen zorgen.”

Teleurstelling

Zorgwekkende cijfers dus. Maar er gloort hoop. Een commissie van artsen en andere hulpverleners brengt naar verwachting volgend jaar een multidisciplinaire richtlijn uit die behandelaren handvatten biedt om mensen met SOLK gericht te helpen.

Voorop staat dat voorkomen moet worden dat de klachten chronisch worden, zegt huisarts Arnold. Daarom is het belangrijk dat mensen hulp gaan zoeken als de klachten langer dan een paar weken aanhouden. “En daar moet de huisarts dan ook op inspelen door een vorm van begeleiding aan te bieden.”

Dat kunnen medicijnen zijn, oefeningen, of de huisarts kan gericht doorverwijzen naar bijvoorbeeld een psychotherapeut of fysiotherapeut. “Je moet mensen intensieve hulp aanbieden en voorkomen dat ze onnodig gaan shoppen bij medisch specialisten, zoals internist of neuroloog. Want die vinden meestal ook geen oorzaak, wat weer tot teleurstelling leidt.”

Belangrijk is bovendien om uit te vinden of er andere factoren spelen, zoals een slechte werksituatie of een depressie. Dat soort zaken kan de klachten in stand houden, of zelfs verergeren. “Dat zijn dingen die wij uitzoeken en aanpakken. Je moet de omstandigheden voor het herstel zo gunstig mogelijk maken”, aldus dr. Yanda van Rood, klinisch psycholoog in het LUMC. Zij werkte net als Arnold mee aan het opstellen van de nieuwe richtlijnen.

“Je moet eigenlijk naast de patiënt gaan zitten en alles op een rijtje zetten”, beaamt Arnold. “Het is heel belangrijk dat je je echt in een patiënt verdiept.”

Zeven meter darm

Het is dus de kunst om mensen heel gericht te bevragen. Wat houden de klachten precies in, wat betekent het voor iemand om die pijn te hebben en wat zijn de gevolgen? Zo kunnen lichamelijke klachten iemand doen denken aan een traumatische ervaring, geeft Van Rood als voorbeeld. Zoals bij de patiënt die al jaren last had van vreselijke buikpijn. Tijdens therapie bleek dat die pijn haar deed denken aan een eerder meegemaakte verkrachting. “Als je daar achter komt kun je vrij snel een groot resultaat behalen.”

Je moet echt getraind zijn in het behandelen van deze problematiek, zegt Van Rood, die zelf collega’s hierin onderwijst. “Ik leer hulpverleners alles precies in kaart te brengen en te bepalen welke technieken ze kunnen gebruiken om de gevolgen van de klachten op te heffen.”

Om te voorkomen dat mensen met ieder pijntje naar de huisarts rennen, is het bovendien belangrijk dat zij weten hoe hun lichaam functioneert, zegt Arnold. “Als je weet dat je zeven meter darm hebt en dat daar elke dag heel veel eten doorheen moet, dan begrijp je dat je soms buikpijn kunt hebben. Met een goede uitleg kun je soms angsten wegnemen.”

Raadsels oplossen

“Er is heel lang gezocht naar de oorzaken van SOLK, maar daar is geen duidelijk antwoord op gekomen”, zegt Van Rood. “Misschien moeten we een andere vraag stellen: wat maakt dat het bij deze patiënt niet overgaat? Als je daar naar kijkt krijg je informatie waar je als behandelaar iets mee kunt. Misschien vinden ze eens een variant van een gen, of een bepaald stofje dat meer voorkomt bij patiënten met SOLK, maar als ik tegenover een patiënt in de spreekkamer zit, dan heb ik daar niks aan. Ik heb er wél wat aan als ik weet dat het makkelijker is om te herstellen van vermoeidheid als je je conditie verbetert. En de patiënt ook. Sommige raadsels kun je oplossen door een andere vraag te stellen.”  

Het is belangrijk dat je je echt in een patiënt verdiept

Top

Raadselachtige ziektes

Door de eeuwen heen zijn veel ziektes een mysterie geweest. Kraamvrouwenkoorts, diabetes en het downsyndroom: ooit tastten we volledig in het duister. Door wetenschappelijk onderzoek kennen we nu bacteriën, hormonen en chromosomen en begrijpen we steeds meer van heel veel ziektes. Toch zijn er ook nu nog genoeg aandoeningen met raadselachtige trekken. Een kleine selectie.

door Raymon Heemskerk

Morgellons disease

Is het een infectieziekte, een psychische aandoening of komt het toch door genetisch gemodificeerd voedsel of nanotechnologie? Een gooi naar de titel ‘meest mysterieuze ziekte ter wereld’ doet zonder twijfel Morgellons disease. Mensen die aan de ziekte denken te lijden hebben klachten als gewrichtspijn, vermoeidheid en jeukaanvallen. Het meest opmerkelijke is echter dat ze beweren dat er uit hun jeukende huidplekken stukjes plastic of zelfs gehele draden komen. Sceptici denken dat het om een psychische aandoening gaat: parasietenwaan. De huidplekken zouden mensen zelf veroorzaken door overmatig krabben vanwege vermeende beestjes onder de huid.

De meeste Morgellonspatiënten zijn ervan overtuigd een ziekteverwekker onder de leden te hebben. Enkelen zien chemische stoffen als bron. Ze voelen zich vaak in de steek gelaten door de medische wetenschap. Maar in Amerika, waar het grootste deel van de getroffenen zich lijkt te bevinden, doet het Center for Disease Control and Prevention (CDC) nu serieus onderzoek naar Morgellons disease. Die naam komt trouwens van een ziekte die in de zeventiende eeuw in Frankrijk werd beschreven en gelijkenissen vertoont met het huidige ziektebeeld. Het is onbekend of er daadwerkelijk een relatie is. Ook de besmettelijkheid van de ziekte staat nog ter discussie. Het lijkt vaak in families voor te komen en sommigen zeggen baat te hebben bij antibiotica. Tot nu toe is de oorsprong van Morgellons echter één groot vraagteken. 

Treeman

Wie ‘treeman’ (boomman) intikt op Google krijgt meer dan een half miljoen hits. Ze verwijzen naar Dede Kosawa, een Indonesische man die zo lijkt te zijn weggelopen van de set van een horrorfilm. Toen hij vijftien was viel hij op zijn knie. Daarna begon hij langzaam maar zeker steeds meer op een boom te lijken. Handen en voeten veranderden in op wortels lijkende uitstulpingen, waardoor lopen en werken – hij was visser – nauwelijks meer mogelijk was. Geld verdiende hij door zich aan toeristen te tonen. Toch wilde hij graag weten hoe hij aan deze bizarre aandoening kwam. En hoe hij er – als het even kon – weer vanaf kwam.

De Amerikaanse huidarts dr. Anthony Gaspari wilde zich wel onsterfelijk maken en vloog naar Indonesië om Kosawa te onderzoeken. Hij ontdekte dat Dede Kosawa besmet is met het humaan papillomavirus (HPV). Veel mensen dragen dit virus bij zich en krijgen er hooguit wat wratten door, maar de ‘treeman’ blijkt ook een zeldzaam genetisch defect te hebben. Hierdoor is zijn lichaam niet tegen HPV opgewassen en konden de woekeringen in de loop van twintig jaar ontstaan. Mysterie opgelost. Inmiddels is Kosawa ook verschillende keren geopereerd en eindelijk verlost van zijn monsterlijke uiterlijk. 

Body Integrity Identity Disorder

Het is moeilijk voorstelbaar dat iemand een of meerdere gezonde ledematen zou willen laten verwijderen. Tenzij je aan Body Integrity Identity Disorder (BIID) lijdt, want dan heb je precies dat verlangen. Veel BIID-patiënten kunnen tot op de centimeter aangeven hoe hoog hun arm of been eraf zou moeten, omdat het niet als eigen aanvoelt. De aandoening ontstaat meestal al op jonge leeftijd en is zeer zeldzaam, al denkt klinisch psycholoog dr. Yanda van Rood dat we misschien alleen het topje van de ijsberg zien. “Het is een taboe, zoals zo’n vijftig jaar geleden fantoompijn dat ook nog was, daar sprak je niet over. Nu weten we wat er bij fantoompijn in het brein gebeurt en dat het veel voorkomt na amputatie. Mogelijk komt BIID ook veel vaker voor dan we nu denken, omdat mensen met een wat mildere vorm het voor zich houden.” Van Rood vindt in zijn algemeenheid dat terughoudendheid geboden is bij aandoeningen die we niet begrijpen. “We moeten niet te snel denken dat we weten waar het uit voortkomt. Over BIID zijn allerlei psychologische theorieën geformuleerd, van gefrustreerde seksualiteit tot persoonlijkheidsproblemen, maar daar is nooit iets van gebleken.” Van Rood ziet veel in de steeds populairder wordende hersentheorieën. “In het brein zou het stukje ontbreken dat de bewuste ledemaat zou moeten representeren.” Daar zijn inmiddels ook aanwijzingen voor gevonden. Vorig jaar werd er bij vier BIID-patiënten in een hersenscanner onderzocht wat er gebeurde als het door hen gehate been werd aangeraakt. De pariëtaalkwab, die informatie van onze zintuigen ontvangt en verwerkt, vertoonde hierop vrijwel geen activiteit. Deze kennis opent deuren voor de tot nu toe zeer moeilijk behandelbare patiënten – amputatie bij BIID wordt in Nederland niet uitgevoerd. Onderzoekers experimenteren inmiddels met een behandeling die even raadselachtig klinkt als de aandoening zelf: het stimuleren van de pariëtaalkwab met warm of koud water via het oor. 

Chronisch vermoeidheidssyndroom

Myalgische encephalomyelitis (ME), post-viraalsyndroom, yuppie flu: aan een chronisch ziektebeeld met griepachtige klachten zijn al vele namen gegeven. De naam chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) wordt nu het meest gebruikt, naar het op de voorgrond staande symptoom. CVS begint vaak met een infectie, zoals griep of pfeiffer, die maar niet overgaat. In Nederland lijden zo’n dertigduizend mensen aan de aandoening; 80 procent is vrouw. Vorig jaar werd even gedacht dat de oorzaak ervan was gevonden. Het XMRV-virus zou bij tweederde van de chronisch vermoeide patiënten in het bloed zitten, en bijna niet bij gezonde mensen. Inmiddels is dit door andere onderzoekers alweer tegengesproken en blijft de aandoening vooralsnog … jawel, een raadsel.

De eerste beschrijvingen die overeenkomen met CVS dateren al uit de achttiende eeuw. De afgelopen decennia zijn er overal ter wereld epidemieën van gemeld. Een test die CVS kan aantonen ontbreekt; de diagnose wordt gesteld door andere oorzaken uit te sluiten.

Zoals altijd met mysterieuze ziekten zijn de psychologische theorieën erover niet van de lucht. Jongeren met CVS blijken in vergelijking met jongeren met een andere aandoening – jeugdreuma – vaker gevoelens van eenzaamheid, machteloosheid en onvervulde verlangens te hebben, toonde promotieonderzoek van filosoof Stefan van Geelen van het UMCU onlangs aan. Met een begeleidingsprogramma gericht op zelfonderzoek wist hij CVS te verminderen bij deze jongeren. Daar is niet iedereen blij mee. “Deze onderzoeker legt duizenden studies naast zich neer waaruit blijkt dat CVS het gevolg is van ontsteking, immuunstoornissen en infecties. En hij blijft in strijd met de feiten suggereren dat psychotherapie de situatie verbetert”, fulmineert een man op internet.

Onbekend is of het in alle gevallen om dezelfde ziekte gaat. De enorme vermoeidheid, waardoor mensen zich in het ergste geval niet meer kunnen bewegen, komt bij iedereen voor. Maar symptomen als verlammingsverschijnselen, misselijkheid en overgevoeligheid voor licht, geluid en geuren, treden maar bij een deel van patiënten op. Misschien is CVS dan ook eigenlijk een bonte verzameling van aandoeningen, met verschillende oorzaken, en dus ook verschillende oplossingen.  

Top

En nu... zelf puzzelen

Mysteries zijn er om op te lossen. In ieder geval onderstaand mysterie. Puzzelredacteur Raymon Heemskerk zette deze hersenkraker voor u in elkaar. Bent u een van   de beste inzenders, dan maakt u kans op een boekenbon. Let op! De ij tellen we als twee letters. Inzendingen moeten vóór 11 januari binnen zijn bij cicero@lumc.nl of per post naar Leids Universitair Medisch Centrum, Communicatie t.a.v. Cicero, J0-P, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

Horizontaal

3     Die zit eigenlijk altijd wel op een fiets (9)
4     Afkomstig van treurig orgaan? (10)
6     Met een ‘s’ erbij gaat deze koper zelf als een warm broodje over de toonbank (9)
7     Niet weten wat je aan moet trekken. Verschrikkelijk. (12)
9     Daar kan de ouderwetse kraamverzorgster haar voeten op vegen (8)
11   Zonder drank door de brievenbus (8)
14    Korte visite terwijl het onweert (13)
16    Hevig verlangen naar het uitsteken van een vinger (12)
17    Incompleet keukengerei; dat is pech hebben! (5)
18    Staat alleen ’s morgens vooraan op het voetbalveld (12)
20    Mentaliteit van verpleegkundigen (14)
21    Hier bewaart een LUMC-afdeling haar protheses (9)
22    In- en verkoper van portemonnees (14)
23    Brengt geleend materiaal niet terug naar de bieb (10)
24    De laatste rekenopgave gaat over een kasteel (7)
25   Moeilijkheden bij het indikken (21) 

Verticaal

1     Kookgerei van kannibalen (9)
2     Zin in amfibieën (10)
3     Ongeschoren vervoermiddel (9)
5     Vettige vloeistof die de ruzie doet opvlammen (9)
8     Hier reizen premature vlinders graag mee (12)
10    Kijkt waar hij zijn huisdier kan laten verblijven (11)
12    Op die plek zit een wondje (14)
13    Hier mogen alleen professoren hun boodschappen uit halen (15)
15    Dit enorme stuk land houdt het zeker droog (14)
19    Het verwijderen van Europeanen zorgt voor meer samenwerking (11)

Top

De dokter en het wonder

Een grote tumor die spontaan verdwijnt, een meisje met een zwaar beschadigde hersenstam dat tegen alle verwachtingen in weer beter wordt en een verlamde man die opstaat uit zijn rolstoel. Zijn dat wonderen? Of zijn lichaam en geest sterker dan we denken?

door Dick Duynhoven - foto Arno Massee

Bij spontane genezingen gaat het gesprek al snel over de Jomanda’s, de gebedsgenezers en natuurlijk over wonderoord Lourdes. Bij de meeste artsen hoef je daar niet mee aan te komen. “Ik ben wel gelovig”, zegt neurochirurg prof. dr. Wilco Peul, “maar toch denk ik dat voor alles een verklaring is.”
De neurochirurg vertelt over een patiënt die hij ooit opereerde aan een dwarslaesie als gevolg van een snel groeiende kwaadaardige tumor. Dankzij een snelle fixatie van de nek en een operatie herstelde de man qua beenfunctie voorspoedig. Peul: “Ik vertelde de patiënt dat we hem een tweede keer moesten opereren om de tumor te verwijderen. Maar de man, tamelijk eigenwijs, weigerde en is naar huis gegaan. Anderhalf jaar later werd ik gebeld door de huisarts: de patiënt heeft pijn in zijn nek en wil nu wel geholpen worden. Ik was sprakeloos, want normaal gesproken zou de man allang zijn overleden. We maakten een foto van zijn nek … blijkt die tumor verdwenen! De man vertelt aan iedereen die het maar horen wil: er is een wonder gebeurd.”
Maar professor Peul gelooft niet in wonderen. “Het is beter te spreken over onverwachte gebeurtenissen. In dit geval zijn er ongetwijfeld fysiologische oorzaken. Misschien necrose – celafsterving – in de tumor, of iets anders. Ik zoek nog steeds een verklaring.”

Spontaan genezen

Raadselachtig is ook de genezing van het jonge meisje dat door een trap van een paard zwaar hersenletsel opliep. Peul: “Ze had op de MRI tekenen van grote beschadigde plekken in de hersenstam. Ik heb toen tegen de ouders gezegd dat het nooit meer goed zou komen. Tien jaar later zag ik dat meisje in een televisieprogramma. Ze was geheel gerevalideerd en zat in de laatste klas van het vwo. Toen dacht ik echt: dit kan niet. De ouders beschouwden dit als een wonder.”

Maar als arts en wetenschappelijk onderzoeker weet hij wel beter. “We moeten uitkijken met te vroege uitspraken over de prognose. Wij artsen zijn tot veel in staat en patiënten verwachten ook veel van ons. Daardoor vergeten we nogal eens dat het lichaam heel vaak zelf een ziekte kan genezen. Voorheen zeiden we bijvoorbeeld bij een lage rughernia: dat gaat niet meer over, dat moet geopereerd worden. Maar uit een onderzoek dat we in het LUMC en MCH hebben gedaan, blijkt dat bij een goede coaching meer dan zestig procent van de mensen met herniaklachten spontaan geneest.”

Placebo-effect

Ook psychiater prof. dr. Frans Zitman kent spontane genezingen, maar spreekt ook liever niet van wonderen. “Bij een wonder kun je alleen maar eerbiedig zwijgen. Ik wil die voorvallen liever vertalen in termen waar je als wetenschapper iets mee kunt.” Verklaringen zoekt hij in de eerste plaats bij de dokters zelf. “Als je zoiets meemaakt, moet je je in elk geval afvragen of de diagnose wel juist was. Heb je misschien iets over het hoofd gezien of voor iets anders aangezien?” De tweede ontwondering van Zitman: “Ik denk dat artsen zich beter moeten realiseren dat hun prognoses nooit voor honderd procent waar zijn. Er zit altijd onzekerheid in, waardoor het soms misgaat, maar andersom soms ook onverwacht goed.”

De psychiater vertelt over somatoforme stoornissen, lichamelijke klachten waar geen fysieke verklaring voor is. “Dat heeft te maken met het psychisch functioneren. Sommige mensen raken door die klachten ernstig invalide, tot en met een rolstoel aan toe.”

Inbeelding en placebo-effect spelen vaak een belangrijke rol. En niet te vergeten de empathie van de arts. De enige keer dat hij iemand ‘onverklaarbaar’ heeft genezen, was in zijn periode op de afdeling Neurologie. “Daar was een patiënt: geheel verlamd terwijl niemand dat kon verklaren. Ik heb de man heel voorzichtig, met veel empathie en met steeds opnieuw proberen, letterlijk stap voor stap weer aan het lopen gebracht. Tot verbijstering van iedereen.”

“We maakten een foto van zijn nek … blijkt die tumor verdwenen!”

Top

Kort nieuws

Uitzaaiingen opsporen met echo

Met een nieuwe methode om uitzaaiingen op te sporen kunnen jaarlijks honderden onnodige longkankeroperaties worden voorkomen. Dat blijkt uit onderzoek gepubliceerd in het gerenommeerde tijdschrift JAMA (24 november).

Om de optimale behandeling van een patiënt met longkanker te bepalen wordt vastgesteld in hoeverre de longtumor zich heeft uitgebreid. Bij uitzaaiingen in andere organen krijgen patiënten chemotherapie. “Bij afwezigheid hiervan kijken we of de lymfeklieren tussen de longen zijn aangedaan”, vertelt longarts dr. Jouke Annema. “Zijn deze niet aangetast, dan is een longoperatie de eerste keuze. Bevatten deze lymfeklieren wel kankercellen, dan heeft een combinatie van chemotherapie en bestraling de voorkeur.”

Op dit moment is de standaardprocedure om de in de borstkas gelegen lymfeklieren met een kijkoperatie te onderzoeken. Maar in ongeveer een op de vijf gevallen wordt ten onrechte geconcludeerd dat deze klieren ‘schoon’ zijn. Deze patiënten krijgen een zware longoperatie, wat achteraf niet de juiste keuze is geweest. Het onderzoek onder leiding van Annema toont aan dat er met de nieuwe techniek veel winst te behalen is. Met behulp van echografie via een slangetje in de slokdarm en luchtpijp worden de lymfeklieren opgezocht. Vervolgens wordt er via een kleine naald wat weefsel opgezogen dat de patholoog vervolgens op uitzaaiingen controleert. “Dit werkt minstens even goed als de traditionele kijkoperatie en er treden minder complicaties bij op”, aldus Annema. Als echografie gevolgd wordt door een kijkoperatie – bij afwezigheid van klieruitzaaiingen bij het echo-onderzoek – zal het aantal onnodige longkankeroperaties volgens het onderzoek meer dan halveren; van 18 naar 7 procent.

Jaarlijks worden en in Nederland rond de 2.500 mensen aan longkanker geopereerd. “Het combineren van beide technieken kan dan dus ieder jaar een paar honderd operaties schelen”, aldus Annema. Hij werkt momenteel zelf als lid van de landelijke richtlijnencommissie voor longkanker mee aan het veranderen van de richtlijnen.

De echomethode is van oorsprong bedoeld voor patiënten met darm- of maagkanker. “Ik heb me er tien jaar geleden enthousiast op gestort, met het doel deze methode ook voor longkanker te kunnen gaan gebruiken”, zegt Annema. “Schitterend om te zien dat dit nu zijn vruchten afwerpt.” (RH)  

Gluten veilig maken

Ongeveer één op de honderd mensen verdraagt geen gluten, een mengsel van verschillende eiwitten dat in granen als tarwe, gerst en rogge voorkomt. Alledaagse voedingsmiddelen als brood, pizza en pasta zijn daarom ‘verboden’, op straffe van diarree en buikpijn. Altijd glutenvrij eten is lastig en kan tot een vezeltekort leiden. Onderzoekers van het LUMC en de Universiteit Wageningen werken er daarom hard aan om het dieet van mensen met een glutenallergie uit te breiden. “We willen voedsel maken met gluten dat veilig kan worden gegeten door coeliakiepatiënten”, zegt LUMC-hoogleraar Frits Koning (Immunohematologie & Bloedtransfusie). In PLoS ONE beschrijven de onderzoekers hoe ze gluten zodanig kunnen modificeren dat het niet meer voor een afweerreactie zorgt. Dat doen ze via de genen die coderen voor de gluteneiwitten. Koning: “Er bestaan duizenden verschillende genen voor gluten. We hebben nu in kaart gebracht welke delen daarvan verantwoordelijk zijn voor de allergische reactie bij coeliakie.” Glutengenen bestaan uit vier domeinen en van elk van deze domeinen bestaan in de natuur varianten waar coeliakiepatiënten niet op reageren. De pech is dat ze nooit samen in één glutengen voorkomen. “Daarom willen we uit deze in de natuur voorkomende delen van glutengenen een kunstmatig glutengen maken dat geen problemen oplevert.” De onderzoekers richten zich nu eerst op gliadine, een van de twee bestanddelen van gluten. “We laten zien dat we de voor coeliakiepatiënten schadelijke delen hierin kunnen vervangen door niet-toxische. Ditzelfde zullen we ook nog moeten doen voor glutenine, het andere hoofdbestanddeel van gluten. Maar dit is een belangrijke eerste stap. We laten zien dat veilig gluten geen illusie meer is”, aldus Koning.

Gluten zit niet zomaar in veel voedingsmiddelen. Het maakt voedingsmiddelen geschikt om mee te bakken. “Tarweplanten zijn geselecteerd op eigenschappen als bakkwaliteit en grootte van de tarwekorrel”, zegt Koning. Door gluten te modificeren vermindert dit misschien, maar de verwachting is dat het mee zal vallen en het veilige gluten dus gebruikt kan worden voor de productie van normaal brood, als vervanging van het huidige glutenvrije brood dat veel mensen niet lekker vinden. Maar voor het zover is gaan de onderzoekers nu eerst testen of het gemodificeerde gluten volkomen onschadelijk is voor patiënten. “Dat kunnen we bijvoorbeeld doen door het gemodificeerde gen bij rijst of haver, die van nature geen gluten hebben, in te brengen.” De discussie met tegenstanders van genetische modificatie die dit misschien oplevert, durft Koning wel aan. “Dit is anders dan het resistent maken van planten met bacteriegenen. We gebruiken alleen delen van genen die in de natuur al voorkomen in planten.” (RH)  

Mensen met coeliakie kunnen veel dingen niet eten, zoals pizza

Top

Geen transplantatie, toch weer toekomst

Er is een groep patiënten met steeds ernstiger hartfalen, die niet in aanmerking komt voor een harttransplantatie. Artsen kunnen in zulke gevallen weinig meer doen. Daarom is de plaatsing van een nieuw permanent steunhart bij een uitbehandelde patiënt een belangrijke gebeurtenis.

door Mieke van Baarsel  foto Marc de Haan

Cardioloog Harriette Verwey en thoraxchirurg Meindert Palmen zijn trots en daar hebben ze alle reden toe. Op 9 november plaatste Palmen samen met prof. Robert Klautz een nieuw type steunhart bij een 70-jarige man. De operatie slaagde en binnen 48 uur kon de patiënt al overgeplaatst worden van de intensive care naar de medium care.

Borstholte

Het was voor het eerst dat iemand in Nederland een steunhart krijgt dat niet als overbrugging bedoeld is naar transplantatie met een donorhart. Verwey: “Ervaring met steunharten is er genoeg. Maar dat waren altijd grotere apparaten die minder lang meegingen. Patiënten kregen zo’n steunhart in afwachting van een transplantatie.” Palmen laat het nieuwe type zien: een apparaatje ter grootte van een mandarijn, dat 140 gram weegt. “Het past in het hartzakje, dus in de borstholte, en daar hebben we het bij deze eerste patiënt ook geplaatst. Eerdere steunharten moesten vanwege de omvang in de buikholte geplaatst worden. Daar is het infectiegevaar groter, waardoor vaak complicaties ontstonden.”

Het nieuwe type geeft niet alleen minder infecties, het slijt ook minder snel en daardoor is het geschikter als permanente vervanging van het hart. “Er is geen wrijving van metaal op metaal”, legt Palmen uit. “Het draaiende onderdeel van de pomp, de propeller, zweeft vrij in een magnetisch veld.”

Primeur

Het steunhart is verbonden met een zogeheten controller die de patiënt in een draagzak bij zich heeft en die een adaptor en batterijen bevat. Er zitten ook verschillende alarmen op. “Daar moet je als patiënt mee leren omgaan”, zegt Palmen. “Het is dan ook van groot belang dat je gemotiveerd bent en een omgeving hebt die ervan weet en die je steunt.”

Ook zorgverleners, verpleegkundigen en ambulancemedewerkers bijvoorbeeld, moeten ermee leren werken. De patiënt heeft namelijk geen polsslag. Het bloed wordt gelijkmatig rondgepompt en op een gemiddelde bloeddruk gehouden, zonder het natuurlijke verschil tussen boven- en onderdruk, dat het gevolg is van het samentrekken en ontspannen van het hart.

Het LUMC heeft de primeur in Nederland, maar in andere Europese landen wordt dit permanente steunhart al langer geplaatst. Verwey: “Robert Klautz, Meindert Palmen, coördinator Marlieke Haeck en ik zijn gaan kijken in het ziekenhuis van de medische universiteit in Wenen en we zijn daar door een ervaren hoogleraar getraind: prof. dr. Georg Wieselthaler. Die is een dag voor de operatie naar Leiden gekomen om iedereen te instrueren.”

Overbrugging voorbij

Een jaar geleden schreef Verwey een protocol dat het LUMC hierop moest voorbereiden. Het heet ‘Beyond bridge to transplantation’, ‘De overbrugging naar transplantatie voorbij’ dus. Dit bevat checklists, zodat een veilige procedure gewaarborgd is. Verwey: “Op die manier hebben we een kwaliteitscyclus om de ingreep heen gebouwd. We lopen een lijst vragen af, zoals: is het apparaat in huis, is het bloed besteld, zijn alle betrokkenen er?” Verwey somt ze op: naast de cardioloog en de thoraxchirurg zijn dat de anesthesioloog, de perfusionist (die de hart-longmachine bedient in de operatiekamer), de intensive care, de trombosedienst, de fysiotherapeut, de maatschappelijk werker en de diëtist.

Ook voor de selectie van de patiënt gebeurt met een checklist. Hij moet hartfalen en een levensverwachting van minder dan twee jaar hebben, en geen andere ziekte waaraan hij binnen die periode zou overlijden. Er worden eisen gesteld aan zijn motivatie en zijn sociale omgeving.

Hoop

De op 9 november geopereerde man maakt het heel goed. “Er zijn geen grote of onverwachte complicaties geweest”, zegt      Verwey. Inmiddels zijn er alweer twee patiënten die in aanmerking komen voor het nieuwe steunhart. Als deze Cicero verschijnt is een van hen vermoedelijk al geopereerd. Verwey: “En ik kreeg zojuist een mailtje van iemand die was afgewezen voor transplantatie. Hij had gelezen wat wij hier doen en kreeg daardoor weer hoop.” 

Het is van groot belang dat je gemotiveerd bent en een omgeving hebt die je steunt

Top

Rebel with a cause

In zijn volle, geordende kamer op de afdeling Immuno-hematologie & Bloedtransfusie prijkt de Minkowski Prize 2002. Bart Roep is de enige Nederlander die met deze   ‘Nobelprijs voor diabetesonderzoek’ is gelauwerd. Sinds vorig jaar is hij hoogleraar Diabetologie & Immunopathologie. Roep is berucht om zijn uitgesproken opvattingen. “Mensen voelen zich vaak aangevallen als je vragen stelt, terwijl ik puur word gedreven door oprechte nieuwsgierigheid.”  

tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

Het thema van zijn oratie? Schoppen tegen heilige huisjes. Dogma’s bestrijden. Klokkenluiden. De veelzeggende titel, De Nieuwe Bèta-cellen van de Keizer, verwijst naar het bekende sprookje van Andersen. Immunoloog prof. dr. Bart Roep voelt zich verwant met het ventje dat tijdens de optocht door Kopenhagen hardop constateert dat de Keizer geen kleren draagt, terwijl omstanders diens ‘gewaden’ de hemel in prijzen.

Bij patiënten met type 1 diabetes vernietigt het eigen immuunsysteem de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier. Die eilandjes bevatten bèta-cellen die insuline produceren. Ons lichaam heeft dit hormoon nodig om suikers op te nemen. Brengt de al twintig jaar lopende studie naar eilandjestransplantatie de oplossing? Roep, nota bene zelf eilandjestransplantatiepionier, noemt het “dweilen met de kraan open” en jaagt daarmee menigeen tegen zich in het harnas.

Spannend hoofdstuk

“Klokkenluiders bederven menig feestje en vuile was ziet men ongaarne buiten. Maar het is noodzakelijk misvattingen aan de orde te stellen en recht te zetten. We willen heel graag patiënten iets bieden, maar blijven achter bij de verwachtingen. Als geneeskundestudent leerde ik dat type 1 diabetes ongeneeslijk was en de huidige behandeling is palliatief (verlichtend, niet genezend, red.). Onderzoek brengt ons nu op een punt dat we aan de deur van genezing rammelen.” Hij noemt dat “dweilen met de kraan dicht”: eerst het probleem van type 1 diabetes oplossen en pas dan middels transplantatie of stamceltherapie nieuwe bèta-cellen een kans geven. “Natuurlijk wil iedereen nu doorbraken zien, maar zolang ik niet elke patiënt kan genezen moet ik extreem zorgvuldig omgaan met mijn gegevens. Het verschil tussen hope en hype is één letter!” Roep spreekt daarom liever niet van een ‘doorbraak’. “Laten we zeggen: we zijn begonnen aan een nieuw en spannend hoofdstuk.”

Staar

Voorbeelden van misvattingen? Dat type 1 diabetes erfelijk zou zijn. Roep: “Je kunt hoogstens zeggen dat de gevoeligheid ervoor genetisch is bepaald.” Dat het gaat om een kinderziekte (‘jeugddiabetes’). “De meeste patiënten zijn bij diagnose volwassen!” Dat antistoffen tegen bèta-cellen verantwoordelijk zijn. “Wij toonden aan dat het T-cellen zijn die zich tegen bèta-cellen richten.” Dat de Non-Obese-Diabetic-muis voor deze aandoening een betrouwbaar model is. “Mijn patiënten leken totaal niet op wat die muizen lieten zien. Ik heb ooit gepubliceerd over een patiënt die geen antistoffen producerende B-cellen (bepaald type afweercellen, red.) had en toch type 1 kreeg. “Dat kan niet”, zeiden ingezonden brieven, “want in NOD-muizen zijn B-cellen essentieel. En u toont maar één patiënt.” Ik antwoordde: “Die ingeteelde muizenstam staat óók voor maar één patiënt, dus kies maar.” Het gros van de diabetespublicaties is op die muis gebaseerd. Ik heb toen van Nature de NOD-muizenliteratuur op een rij mogen zetten. Van de meer dan driehonderd manieren die waren bedacht om diabetes te genezen werden er ruim tweehonderd getoetst in de eerste weken na geboorte: dat is geen interventie, maar preventie! Slechts vijf behandelingen hadden enig effect bij muizen die reeds diabetes hadden. Bovendien weten weinig collega’s dat de NOD-muis is ontwikkeld voor onderzoek naar staar: die muis krijgt ruim twintig aandoeningen. Niet dat ze ons niets heeft geleerd, maar ze werd ten onrechte de norm. Patiënten hebben gemiddeld zeventien keer per jaar kunnen lezen dat diabetes te genezen is, en dat ging vrijwel altijd om de NOD-muis. Ze heeft ons onderzoek bijna twintig jaar vertraagd!”

Gespreid bedje

Roep (48) groeide op in Alkmaar als zoon van een geoloog en een (Deense) fysiotherapeute. Na zijn atheneumexamen (cum laude) schreef hij zich in aan de UvA voor geneeskunde, én voor medische biologie. “Geneeskunde miste intellectuele uitdaging. Zo’n professor gaf in witte jas college over diabetes en op mijn vraag hoe de ziekte ontstond keek hij verwilderd rond. ‘Dames en heren: ik heb u anderhalf uur uitgelegd hoe we diabetes behandelen en deze heer wil weten hoe de ziekte ontstaat!’ Ik riep: ‘Ja, want wat u doet is louter symptoombestrijding!’ Iedereen hield de adem in voor de toorn van de Keizer. Het was voor mij een keerpunt: ik koos voor de wetenschap.” Roep werd immunoloog en ging werken bij Piet Borst en Kees Melief op het Nederlands Kankerinsituut, onderzoek naar een muizenmodel voor luchtweginfecties. Toen hij met patiënten wilde gaan werken stuurden ze hem naar Jon van Rood in Leiden. “Bij de immunologiegroep van René de Vries was voortijdig een postdoc vertrokken. Ik viel in een gespreid bedje.” In 1989 slaagde hij er in van een type 1 diabetespatiënt T-cellen te isoleren en deze in het lab te vermeerderen. De bevinding dat deze afweercellen werden geactiveerd door membraaneiwitten van bèta-cellen, ondersteunde de hypothese dat ontspoorde T-cellen de oorzaak zijn en niet tegen bèta-cellen gerichte antistoffen. Een jaar later meldde Roep in Nature de identificatie van de door die T-cellen herkende moleculaire structuur.

Roeping

Na zijn promotie (cum laude) verbleef Roep een leerzaam jaar in San Francisco en zette vervolgens zijn onderzoek voort in Leiden. In de loop der tijd haalde hij zo’n 24 miljoen euro subsidiegeld binnen en inmiddels heeft hij als hoofd van de sectie Autoimmuniteit zeventien mensen onder zijn hoede. “In mijn sectie ben ik de enige met een vaste baan. Ik word weliswaar niet geraakt door bezuinigingen, maar het blijft een permanente zorg. Ik voel me soms meer manager dan onderzoeker. Het is een enthousiaste groep die me wekelijks trakteert op leuke resultaten. Ik fiets dagelijks fluitend naar mijn werk.” Nou ja, dagelijks... Roep geeft toe dat hij vijftig keer per jaar in het vliegtuig zit (en daardoor minder van zijn twee opgroeiende kinderen meemaakt dan hij zou wensen). Hij ziet zijn vak als een roeping, ‘leeft en ademt diabetes’.

Simpel

Als immunoloog past Roep er voor het afweersysteem met zware medicijnen te onderdrukken. Hij zet in op heropvoeding, op tolerantietherapie. De Vries, Fibbe en Melief motiveerden hem de celtherapie te bedenken waarvoor hij in 2007 werd beloond met een Vici-subsidie. “Bovendien heeft het Diabetesfonds ons een Nationaal Expertise Centrum voor Immunoprotectie gegund waarmee we celtherapie naar klinische toepasbaarheid gaan vertalen.” Het idee is simpel: de zogeheten dendritische cellen (DC) zijn ‘opvoeders’ van T-cellen. Laat onrijpe DC uitrijpen in aanwezigheid van vitamine D3 (verkrijgbaar bij elke drogist) en ze maken stoffen die de afweer kalmeren. In aanwezigheid van bèta-celeiwit worden T-cellen gestimuleerd die heel specifiek de ontspoorde T-cellen te grazen nemen. “Probleem is echter dat proefdieren niet geschikt zijn om de effectiviteit te testen. Daarvoor moeten we meteen naar de mens, iets waarmee we komend jaar willen starten. Helaas is bij kinderen bewezen effectiviteit in een diermodel nog steeds wettelijk verplicht. En juist bij kinderen verwacht ik de hoogste baten.”  

Het verschil tussen hope en hype is één letter

"Mijn patiënten leken totaal niet op wat muizen lieten zien."

Top

Langlevende families geven geheimen prijs

Wat is er bijzonder aan mensen die heel oud worden en ook nog gezond blijven? De Lang Levenstudie probeert daarachter te komen, met behulp van mensen uit ‘langlevende families’ en hun partners. Op 27 november kwamen zij naar de Stadsgehoorzaal in Leiden om te horen wat het onderzoek tot nu toe heeft opgeleverd.

door Masja de Ree foto’s Arno Massee

Heel gewoon en zeker niet stokoud, zo zien de ruim zevenhonderd mensen eruit die vanuit het hele land naar Leiden kwamen voor de deelnemersdag van de Lang Levenstudie. Het is dan ook de tweede generatie deelnemers: de kinderen – en hun partners – van de wél heel oude broers en zussen die sinds 2002 aan de studie meedoen. De afgelopen jaren lieten zij bloed prikken, ondergingen scans, vulden vragenlijsten in of stonden een huidbiopt af.

Op zoek naar het geheim van een lang en gezond leven, gingen projectleiders prof. Eline Slagboom (Moleculaire Epidemiologie) en prof. Rudi Westendorp (Ouderengeneeskunde) begin deze eeuw op zoek naar oude broers en zussen. Onderzoekers bezochten bijna duizend mensen van 89 tot 104 jaar, uit ruim 400 families. Later volgden meer dan 1600 van hun kinderen en ruim 700 partners daarvan. “Want via u, de kinderen, kunnen we onderzoeken waarom uw ouders zo oud zijn geworden”, spreekt Slagboom de volle zaal toe.

Caloriebeperking

De kinderen blijken inderdaad bijzonder te zijn. Hoewel niet slanker dan hun partners – de controlegroep - hebben ze minder vaak hartinfarcten, diabetes en/of hoge bloeddruk. Zit dat ’m in de genen? “Uw DNA bestaat uit driemiljard bouwstenen”, vertelt Slagboom. De volgorde daarvan kan afwijken van die bij ‘gewone’ mensen. Eén ontdekking is al gedaan. Langlevende families blijken op chromosoom 19 – belangrijk voor de vetstofwisseling en een risicoplaats voor dementie – vaker de gunstige DNA-variant te hebben. Ook op andere chromosomen zijn bijzondere eigenschappen waargenomen. Om daar meer van te begrijpen, moeten nog veel meer langlevenden meedoen. “Dat doen we in een Europees project met 8000 hoogbejaarden.”

In Leiden is ook de activiteit van de genen vergeleken met die van gewone mensen. Genen die coderen voor eiwitten die dienen als sensoren voor voedingscomponenten, blijken bij kinderen van langlevenden minder actief. “Dat gaat samen met een bescherming tegen kanker en suikerziekte. Ook dieren die langer leven op een caloriebeperkt dieet hebben zo’n lagere activiteit”, aldus Slagboom. “Wellicht kunnen we hieruit afleiden bij wie een caloriebeperkt dieet het leven kan verlengen.”

Binnenkort start het ‘Samen Oud Samen Thuisproject’, een onderzoek naar het effect van minder calorieën en meer bewegen bij zowel de kinderen als hun partners. “Als u meedoet, kunt u misschien gezellig samen oud worden!”

Krimpend brein

Hoewel er vandaag al best wat interessante inzichten en tips gedeeld worden, laten veel resultaten lang op zich wachten. Een panel van medewerkers legt uit hoe dat komt. Het begint allemaal met geld. Dat zit gelukkig goed: het Nationaal Genomics Initiative ondersteunt de Lang Levenstudie al jaren. Maar het geld zinnig besteden vergt een enorme logistiek.

Mensen moeten gebeld worden of ze (opnieuw) bereid zijn naar het LUMC af te reizen. Eenmaal daar wacht een intensief onderzoeksprogramma, dat begint met de afname van elf buisjes bloed. In de vriezers liggen inmiddels 80.000 monsters. “Onze databaseregistratie is dan ook van enorm belang”, aldus laborante Margo van Schie. Het traject eindigt met de onderzoeker die alle gegevens verwerkt, op zoek naar dat ene opvallende verschil tussen de kinderen en hun partners. De komende twee jaar besteedt het Netherlands Consortium of Healthy Ageing extra veel aandacht aan de vraag op welke creatieve manieren ‘gewone mensen’ gezond oud kunnen worden.

Een deel van de deelnemers heeft plaatsgenomen in de MRI-scanner, zodat prof. Mark van Buchem (Radiologie) de veroudering van het brein kan bestuderen. Dat brein krimpt als je ouder wordt. Daarnaast krijg je meer ‘witte-stofafwijkingen’ en meer ijzeropslag. “We willen meer leren over de oorzaken en gevolgen van die veranderingen”, zegt Van Buchem. Dat is nog niet eenvoudig, want de normale variatie in de hersenen is enorm. Maar door alle scans met een computerprogramma te normaliseren – een gemiddelde te maken – kunnen onderzoekers de kinderen van de langlevenden vergelijken met hun partners. Uitkomsten zijn er nog niet, maar meerdere deelnemers zeggen later dat ze dit het interessantste onderdeel van de dag vonden.

Meer spierkracht

 “Leven kan niet zonder bewegen, dat is ongelofelijk belangrijk”, stelt dr. Andrea Maier, internist-ouderengeneeskunde, net na de lunch. Voor bewegen heb je kracht nodig, maar helaas neemt je spiermassa vanaf je dertigste levensjaar af. En behoorlijk ook. Hetzelfde geldt voor spierkracht, wat gemakkelijk te meten is met de handknijpkrachtmeter. “Als je niet meer uit je stoel kunt opstaan zonder je armen te gebruiken, ben je beland in een glijvlucht op weg naar afhankelijkheid”, houdt Maier het publiek voor. Uit haar onderzoek blijkt onder meer dat de handknijpkracht een lang leven kan voorspellen en dat er een sterke relatie is tussen kracht en loopsnelheid en tussen kracht en zelfredzaamheid. Ook hangt spierkracht samen met een goede hersenfunctie. “Spieren hebben prikkeling nodig vanuit de hersenen. Als de hersenfunctie afneemt, vermindert ook de aansturing van de spieren. Wat veroorzaakt wat? Dat zijn we aan het onderzoeken.” Opvallend is overigens dat de spiermassa en knijpkracht van de kinderen van de langlevenden niet veel verschilt van hun partners. “U bent nog te jong”, legt Maier uit. “We verwachten wel dat de kinderen van de langlevenden de komende jaren minder spierkracht inleveren.”

Betere suikerhuishouding

Na een muzikaal intermezzo door drie promovendi, is het woord aan prof. Rudi Westendorp. Hij neemt de zaal nog even mee terug naar het begin. Waarom veroudert ons lichaam? “Ons lichaam maakt elke dag wel een klein rampje mee, dat een litteken achterlaat.” De huid en bloedvaten verliezen elasticiteit. In het brein ontstaan steeds meer ‘gaatjes’ door problemen met de doorbloeding. Westendorp: “Iedereen veroudert op zijn eigen wijze. Je leefstijl speelt daarbij een belangrijke rol, maar je ouders ook: in deze zaal zitten Mieles en Zanussi’s. Langlevende families zijn robuuster en kunnen beter tegen stress. Uit de Lang Levenstudie blijkt dat de suikerhuishouding daarbij een belangrijke rol speelt.” Bij langlevende families is de hoeveelheid glucose relatief laag. Maar dat is niet alles. De onderzoekers van het Lang Leventeam vermoeden dat zij hun suikerhuishouding beter reguleren, dat hun glucose gedurende de dag stabieler is. Kinderen van langlevenden hebben weliswaar evenveel spieren en vet als hun partners, maar misschien hebben ze andere spieren. Ze zouden bijvoorbeeld meer vetcellen kunnen bevatten, waardoor ze glucose beter kunnen transporteren. Westendorp: “Hiermee raken we het geheim van een lang leven. Dit kan leiden tot informatie waarmee we ook anderen kunnen helpen langer gezond te blijven. Dat gaan we onderzoeken.” De zaal wordt uitgenodigd mee te doen. 

Langlevenden hebben op meerdere chromosomen bijzondere eigenschappen

Ons lichaam maakt elke dag wel een klein rampje mee

Top

Darmbacterie onder de loep

Patiënten in Europese ziekenhuizen zijn vaak besmet met Clostridium difficile, concluderen onderzoekers van het LUMC en het RIVM in The Lancet (16 november). Ze deden hiervoor onderzoek onder ruim vijfhonderd ziekenhuispatiënten in bijna honderd ziekenhuizen in Europa.

De darmbacterie Clostridium zorgt wereldwijd regelmatig voor grote uitbraken in ziekenhuizen. Meestal leidt dit alleen tot diarree, maar soms ontstaat een ernstige dikkedarmontsteking, waaraan verzwakte patiënten kunnen overlijden. Waarschijnlijk zorgt de bacterie op deze manier zelfs voor meer sterfte dan de bekendere MRSA-bacteriën. Over de handel en wandel van Clostridium in Europa is nog relatief weinig bekend, daarom brachten de onderzoekers nu in kaart hoeveel patiënten een infectie met de darmbacterie ontwikkelen. Veel mensen dragen Clostridium bij zich, maar infecties ontstaan pas wanneer mensen verzwakt zijn, of de bacterie door antibioticagebruik de overhand krijgt.

De bacterie is in de medische wereld berucht door grote uitbraken die sinds 2003 optraden in de VS en Groot-Brittannië. In 2005 gebeurde dat ook in een Nederlands ziekenhuis. De boosdoener in deze gevallen was één zogenaamde ‘hypervirulente’ stam, type 027. In Nederland zijn in de periode tussen 2005 en 2009 ongeveer 25 procent van alle ziekenhuizen getroffen door uitbraken van deze bacterie, zegt prof. dr. Ed Kuijper (Medische Microbiologie). “In het LUMC hebben we in samenwerking met het RIVM een referentielaboratorium opgericht. Hier ontvangen we ook veel stammen uit het buitenland.” De vrees bestond dat type 027 snel heel Europa zou veroveren. Daarom keken de onderzoekers ook naar de ernst van de ziekte en welke stam ervoor verantwoordelijk was.

“De meeste patiënten die een infectie met Clostridium doormaakten, hadden een hoge leeftijd, een onderliggende ziekte en werden met antibiotica behandeld”, vertelt eerste auteur van het Lancet-artikel

Martijn Bauer (Infectieziekten). “We zagen daarnaast een grote variatie tussen de verschillende landen en ziekenhuizen, zowel in hoe vaak de bacterie voorkomt, als in de verschillende typen.”

Dit onderzoek laat voor het eerst zien hoe groot de sterfte is na infectie met Clostridium. Na drie maanden bleek 22 procent van de geïnfecteerde mensen overleden. “De sterfte van 40 procent hiervan was ten minste ten dele toe te schrijven aan de darmbacterie”, aldus Kuijper. Het hypervirulente type 027 werd minder aangetroffen dan verwacht: bij 5 procent van de patiënten. Maar ook andere stammen blijken samen te gaan met een ernstig beloop. Eén daarvan, type 078, bleek veel meer voor te komen dan in 2005. Deze stam vertoont overeenkomsten met type 027, maar veroorzaakt vooral diarree bij jongere patiënten. Recent is dit type ook als een belangrijke verwekker van diarree bij dieren gevonden. “De weg waarlangs mens en dier besmet worden kennen we echter nog niet”, aldus Kuijper. Het onderzoek werd gefinancierd door het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) en zal een vervolg krijgen. (RH)

Top

Nieuw instituut voor hart en vaten

Het LUMC en het AMC gaan intensief samenwerken bij fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek naar hart- en vaatziekten met de oprichting van het Rembrandt Institute of Cardiovascular Science (RICS). Jaarlijks zullen vier jonge onderzoekers met nieuw promotieonderzoek beginnen in gezamenlijke projecten.

“In het LUMC en het AMC werkt een groot aantal cardiovasculaire onderzoekers. De kennis wordt nu gebundeld in het virtuele RICS”, vertelt moleculair bioloog prof. dr. Pieter Reitsma, leider vanuit het LUMC. Hij en AMC-cardioloog prof. dr. Yigal Pinto verwachten veel synergie van deze uitbreiding van hun samenwerking.

Reitsma: “Het RICS richt zich op fundamenteel en etiologisch (leer van ziekteoorzaken, red.) wetenschappelijk onderzoek naar hart- en vaatziekten. Hieronder valt een breed scala aan aandoeningen, zoals vaatproblemen, hartritmestoornissen, nierziekten en stollingsziekten.” Beide UMC’s investeren jaarlijks enkele tonnen in het RICS. Met het geld kunnen ieder jaar vier onderzoekers aan nieuw promotieonderzoek beginnen. De eerste projecten werden tijdens het oprichtingssymposium op 2 december bekendgemaakt. LUMC-hoogleraar Frits Rosendaal en dr. Sandra Middeldorp wonnen met een voorstel voor onderzoek naar genetisch variaties die samenhangen met herhaald optreden van veneuze trombose. De tweede subsidie van 500.000 euro ging naar dr. Robert Passier (LUMC) en dr. Vincent Christoffels (AMC). Zij willen onderzoeken hoe hartcellen zich specialiseren. De onderzoekers gaan in tweetallen werken aan het onderzoek, één in het AMC en één in het LUMC. “Het doel is om nieuw baanbrekend onderzoek te stimuleren, onderzoek dat meestal moeilijk te financieren valt”, aldus Reitsma. “Het is fundamenteel onderzoek, maar we hopen dat hier de behandelingen van de toekomst uit voortkomen.” Om het compleet te maken waren er bij de opening ook prijzen voor voordrachten en posters van jonge onderzoekers. LUMC’ers Mark Ewing en Kirsten van Langevelde wonnen, evenals AMC’ers Tamara Koopmann en Wim Aanhaanen. (RH)

Bestuursvoorzitters Marcel Levi (AMC, midden) en Ferry Breedveld (LUMC, rechts) tekenen onder toeziend oog van Pieter Reitsma

Van jongs af aan wist hij wat hij wilde worden: timmerman, net als zijn vader. Maar Jan Maasen (58) koos op het laatste moment, ‘waarschijnlijk onder invloed van puberteitshormonen’, voor een studie geneeskunde. Nu is hij manager van de afdeling Veiligheid, Gezondheid en Milieu (VGM) van het LUMC en de Universiteit Leiden.

Top

Meer dan de spreekkamer

"Toen en Nu"

door Caroline van der Schaaf - foto Arno Massee

TOEN: Timmerman

NU: Manager Veiligheid, Gezondheid en Milieu 

U was voorbestemd om in de voetsporen van uw vader te treden?

Voor mezelf stond mijn toekomst wel vast, ja. Ik was een vaderskindje en ben altijd onder de indruk geweest van de dingen die hij als timmerman kon maken. Elke vakantie ging ik met mijn vader mee: naar de bouw, de steiger en het dak op. Ik vond het allemaal even geweldig.

Op de middelbare school kwam op een gegeven moment wel het inzicht dat ik iets anders kon dan alleen timmerman worden. Dus zou ik bouwkunde gaan studeren, dat was de meest logische keuze. Pas een jaar voordat ik mijn HBS zou afronden, ben ik gaan twijfelen. Het was vast iets puberaals: juist even níet doen wat je vader deed.

Waarom koos u toen voor geneeskunde?

Ik heb een jaar lopen dubben over welke studie ik wilde doen. Het was eind jaren zestig, dus iedereen ging sociologie of politicologie studeren. Ik was wel zo slim om te bedenken dat het uit het oogpunt van beroepskeuze niet zo handig was als ik hetzelfde ging doen als iedereen. Een vak als arts is altijd goed, vond ik.

Als je zo tot een beslissing komt, ga je studeren zonder beroepsbeeld. Ik wist helemaal niet waar ik aan begon. Mijn studiegenoten hadden allemaal een duidelijk beroepsbeeld, en raakten soms teleurgesteld als ze een vak als zoölogie moesten volgen. Ik had dat helemaal niet, ik was gewoon nieuwsgierig en wilde alles weten. Ik vond alles even interessant.

Toen kwamen de co-schappen in zicht en moest u wel kiezen.

Ik heb toen eerst een jaartje vrijaf genomen. Ik deed vrijwilligerswerk, onder meer bij verschillende hulpverleningscentra voor jongeren. Daar ontstond mijn interesse in de psychiatrie. Ik kreeg een opleidingsplaats en ben begonnen met sociale psychiatrie, bij de GGD in Utrecht. Daar deden ze hetzelfde als nu bij het Riagg. Je had er een polikliniek met veel depressieve patiënten. Dat sprak me niet zo aan.

Wat ik wel heel leuk vond was de crisisdienst. Dan werd je ’s nachts gebeld omdat mensen psychotisch of suïcidaal waren, en gekke dingen deden. Je moest dan onmiddellijk actie ondernemen. Toch besloot ik dat ik hierin niet gelukkig zou worden. Toen ben ik geswitched en ben de specialisatie sociale geneeskunde gaan doen.

Bleek dat de juiste keuze voor u?

Uiteindelijk wel. Ik kon toen heel gemakkelijk werk krijgen bij de GMD, het huidige UWV. Ik heb een jaar lang WAO-keuringen gedaan, maar dat was het ook niet.

In 1981 ben ik bedrijfsarts geworden. Eerst alleen op de universiteit en vanaf 1991 kwam ook het ziekenhuis erbij. In zekere zin ben je een dokter aan de zijlijn. Je ziet werk van mensen, je praat met mensen over hun werk, hun gezondheid, ziekte. Dat heb ik altijd interessant gevonden. In deze functie sta je buiten het primaire proces in het ziekenhuis en mag je af en toe als een soort toeschouwer adviseren over gezondheid en veiligheid op de werkplek. Dat is wel een leuke rol.

Toch bent u een paar jaar geleden overgestapt naar weer een nieuwe functie.

Dat is meer een ontwikkeling geweest. Wij zijn op een gegeven moment onderdeel geworden van het directoraat HRM. En dan ga je meer zien dan alleen maar je spreekkamer. Van lieverlee ben ik in managementfuncties gerold en nu mag ik mezelf manager Veiligheid, Gezondheid en Milieu noemen. Ik ben nu vooral een adviseur voor mensen die verantwoordelijk zijn voor de patiëntenzorg of het onderzoek. Ook in deze nieuwe rol past de medische wereld wel bij mij.

Nooit spijt gehad van uw keuze om bouwkunde te laten vallen?

Niet echt. Natuurlijk heb je allemaal wel eens een dag dat alles tegen zit. En dan roep ik soms: ‘Ik had toch bouwkunde moeten gaan studeren!’ Maar dat heeft niet veel zin meer als je 58 bent. Toen ik jaren geleden een oud huis kocht, heb ik dat trouwens samen met mijn vader helemaal verbouwd. Van de fundering tot de vliering. Echt met z’n tweetjes. Dat is een zoete herinnering.

Top

Kanker in de familie

Hans Vasen is medisch directeur van de in het LUMC ondergebrachte Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren. Als bijzonder hoogleraar ‘preventie bij erfelijke tumoren’ zet hij zijn onderzoek voort naar de verantwoordelijke genen en de invloed van omgevingsfactoren. “We willen weten hoe vaak we moeten screenen en welke leefstijladviezen nuttig zijn voor families met een bepaald gendefect. Daarbij is de landelijke erfelijke kankerregistratie een onuitputtelijke bron van onderzoeksgegevens en cruciaal voor de coördinatie van levenslange zorg.” 

tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

Al in 1866 beschreef een Franse chirurg een familie met erfelijke borstkanker en een eeuw geleden publiceerde een Amerikaanse patholoog over de eerste familie met erfelijke darmkanker. Toch dachten de meeste dokters in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw nog dat de ontwikkeling van eenzelfde kankertype bij familieleden op toeval berustte. In zijn op 12 november uitgesproken oratie Erfelijke kanker; de lange weg naar preventie op maat schetst internist prof. dr. Hans Vasen hoe Henry Lynch het tij deed keren. Deze Amerikaanse arts ging vanaf 1961 met zijn team binnen Nebraska op zoek naar familiaire aandoeningen. Dat leidde tot een publicatie over twee families met erfelijke darmkanker, later bekend als ‘erfelijke non-polyposis colorectale kanker’ (HNPCC). Wat volgde was een onvermoeibare kruistocht, waarbij Lynch als een soort kermisklant op talloze congressen ‘zijn’ families presenteerde. Pas nadat anderen de verantwoordelijke genen hadden gevonden kreeg hij de verdiende erkenning (HNPCC heet nu het ‘Lynch-syndroom’). Inmiddels weet men dat in 5 tot 10 procent van de kankergevallen erfelijke factoren verantwoordelijk zijn en dat wie lid is van een risicofamilie 40 tot 80 procent kans heeft de ziekte te krijgen. Vasen: ‘Het gaat nu langzaam de goede kant op met de aandacht voor dit fenomeen, maar we zijn er nog lang niet!’

Leuke tandarts

Vasen heeft zijn werkkamer in het oude Poortgebouw. “Ik zat aan de overkant van de Rijnsburgerweg op het gymnasium. Steeds wanneer mijn moeder vanwege haar diabetes in het AZL was opgenomen wipte ik na school bij haar langs.” Zijn vader werkte in de textielhandel en de familie van moederskant bestond voornamelijk uit juristen. “Ik koos vanwege mijn brede belangstelling voor geneeskunde.”

Vasen ging in Rotterdam studeren en werd studentassistent bij gastro-enteroloog Mark van Blankenstein. “Ik onderwierp maagzweerpatiënten aan een – achteraf nutteloze –zuursecretietest. In die tijd was ook de coloscopie net nieuw en ik ging vaak kijken hoe Van Blankenstein dat aanpakte.”

Na zijn militaire dienst (bataljonarts) specialiseerde Vasen zich in Enschede in interne geneeskunde en ging vervolgens naar Utrecht, waar Cees Lips als een van de eersten in Nederland werkte aan DNA-onderzoek van erfelijke aandoeningen. Lips introduceerde hem in de erfelijke endocriene tumoren. Tegelijkertijd werkte in Leiden een groep aan de erfelijke darmziekte polyposis coli en beide groepen besloten te komen tot een landelijke registratie van families met erfelijke kanker. Dat leidde in 1985 tot oprichting van de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren, STOET, onder het bezielende voorzitterschap van de Amsterdamse chirurg Emiel van Slooten. Vasen solliciteerde met succes naar de functie van STOET-coördinator. Omdat hij in Amsterdam een leuke tandarts had leren kennen (zijn huidige vrouw) ging hij in de Jordaan wonen, reisde beurtelings naar Utrecht en Leiden, waar hij tevens een deelaanstelling had bij de afdeling Endocrinologie en Gastroenterologie. Na zijn promotie (screening erfelijke kanker) ontmoette Vasen op een congres in Jeruzalem Henri Lynch. “Letterlijk en figuurlijk een reus! Bij een ontbijtoverleg besloten we tot internationale samenwerking. In 1990 heb ik toen samen met de Leidse geneticus prof. Meera Khan in Amsterdam een internationale bijeenkomst georganiseerd op het gebied van erfelijke darmkanker. Daar zijn toen de criteria voor diagnose vastgesteld, de sindsdien wereldwijd toegepaste Amsterdam Criteria.’”

Landelijke screening

Vasen bleef vervolgbijeenkomsten organiseren, op exotische locaties en low budget. In 1995 nodigde Lynch hem uit voor een excursie naar een indianenreservaat. “Men had daar in een grote familie een erfelijk darmkankergen opgespoord en ik leerde hoe Lynch genetic counseling aanpakte: het informeren van families over de aard van de aandoening, mogelijkheden van preventief onderzoek en de voor- en nadelen van DNA-onderzoek. Dat gebeurde groepsgewijs én individueel. Evaluatie van die benadering heeft geleerd dat dit heel effectief is.” In Nederland staat de individuele benadering voorop, maar Vasen pleit voor uitbreiding naar groepsvoorlichting. Ook is het belangrijk de algemene bevolking bewuster te maken. Is dankzij de media erfelijke borstkanker voldoende op de kaart gezet, bij erfelijke darmkanker lijkt de kennis nog onvoldoende. Vasen pleit ervoor om bij de geplande landelijke screening op bloed in de ontlasting bij 55-plussers de deelnemers expliciet te informeren over het verhoogde risico op darmkanker bij familiaire belasting. “De ultieme mogelijkheid tot opsporing is aanbieden van een DNA-test aan de bevolking. Het ‘genenpaspoort’ komt steeds meer in zicht, maar zoiets is natuurlijk alléén waardevol als men aandoeningen selecteert waar men echt iets aan kan doen.”

Hechte gemeenschap

Mensen met een genetische aanleg voor kanker moeten regelmatig worden onderzocht, maar ook zo’n screening heeft slechts zin als daardoor kwaad wordt voorkomen. Volgens Vasen is vroege opsporing bij veel erfelijke tumoren effectief. “Bij sommige syndromen kunnen zich op uiteenlopende plaatsen tumoren ontwikkelen en staan we voor lastige dilemma’s.” Tien jaar geleden startte Vasen samen met een aantal collega’s een onderzoek naar de waarde van screening op pancreascarcinoom (alvleesklierkanker, red.). “Het gaat om een mutatie die een kans van 20 procent geeft op pancreascarcinoom. Stamboomonderzoek heeft onthuld wie dit gendefect begin achttiende eeuw in de populatie van Katwijk bracht. In die hechte gemeenschap zijn inmiddels veel nakomelingen gendrager en tachtig namen deel aan ons onderzoek. Jaarlijkse pancreas-MRI spoorde bij zeven personen een pancreastumor op, waarvan vijf zijn geopereerd en twee genezen. De volgende stap is het screeningsprogramma zo te verbeteren dat sterfte bij iedereen kan worden voorkomen.”

Sigaar

Als internist houdt Vasen een speciaal spreekuur voor patiënten met erfelijke darmtumoren en daarnaast verricht hij veel gastro- en coloscopieën. “Ik beheers nu redelijk de kunst grote poliepen te verwijderen. Zo houd ik een mooi evenwicht tussen praktisch werk en wetenschap. Kan ik een patiëntenvraag niet beantwoorden dan zoek ik op de STOET.” Gevraagd naar wat hij verder graag doet bekent Vasen iets te hebben met fotografie. Hij verzamelt oude Leica’s en kiekt vooral zijn dochters. Ook houdt hij van diepgaande discussies met zijn promovendi en begeleidt ze graag bij hun schrijfwerk – als hoofdredacteur van Familial Cancer heeft hij altijd wel tips.

Lachend: “Eén van mijn vroegere promovendi beëindigt zijn presentaties steevast met een afbeelding van zijn promotor met sigaar, gevolgd door een sigaarrokende Churchill met de uitspraak: The farther backward you can look, the further forward you can see! Die zin geeft perfect de belangrijk voorspellende waarde weer van stamboomonderzoek.’

Stamboomonderzoek heeft onthuld wie dit gendefect in de populatie van Katwijk bracht

Hij houdt van diepgaande discussies met zijn promovendi en begeleidt ze graag bij hun schrijfwerk

Top

Kort nieuws 

Onderzoek naar generaties

Twee faculteiten, slechts 500 meter van elkaar af en tot voor kort twee aparte werelden. Met het ambitieuze profileringsgebied Health, prevention and the human life cycle van de Universiteit Leiden komt daar verandering in.

Prof. dr. Pim Assendelft van Public Health & Eerstelijns Geneeskunde (PHEG) is een van de trekkers van dit gebied, samen met prof. dr. Rien van IJzendoorn van de Faculteit Sociale Wetenschappen. De universiteit heeft elf profileringsgebieden aangewezen. Health, prevention and the human life cycle is een van die gebieden. Assendelft legt uit dat er fors geïnvesteerd wordt door de universiteit en het LUMC, ook in menskracht.

“Het begon een klein jaar geleden met een stuk papier en veel ambitie. Binnen dit profileringsgebied werken veel verschillende disciplines samen: er zijn zo’n dertig hoogleraren bij betrokken,” aldus Assendelft. Het algemeen bestuur bestaat uit acht hoogleraren. Vanuit het LUMC zijn de hoogleraren Robert Vermeiren van Kinder- en jeugdpsychiatrie, Henriette Delemarre van Kindergeneeskunde, Frans Zitman van Psychiatrie, Rudi Westendorp van Ouderengeneeskunde en Pim Assendelft de vertegenwoordigers. Inmiddels zijn er drie thema’s benoemd; huiselijk geweld, angststoornissen en obesitas. Binnen die drie thema’s vormen zich nu onderzoeksgroepen die de komende tijd onderzoeksvragen gaan formuleren. De eerste onderzoeksvoorstellen gaan binnen afzienbare tijd de deur uit. Het aandachtspunt is altijd om naar de verschillende generaties te kijken, naar kinderen, ouders en grootouders. “Het voordeel daarvan is dat je onderscheid kunt maken tussen genetica en omgevingsfactoren,” licht Assendelft toe. “We willen ook een groot multicultureel cohort opzetten van verschillende generaties. Den Haag is een optie. De mensen in dat cohort zullen regelmatig vragenlijsten invullen voor verschillende onderzoeken en waar mogelijk worden geïnterviewd of geobserveerd.” Verder is het plan om jaarlijks een symposium te organiseren. Het eerste is volgend jaar en het thema ‘angst’ staat dan centraal.

Assendelft is erg enthousiast over de samenwerking met de collega’s van een andere faculteit. “We hadden dit jaren eerder moeten doen. Je ziet nu al dat mensen elkaar beter vinden. Je creëert kansen door mensen met elkaar in contact te brengen. Natuurlijk is het ook lastig om met zoveel verschillende disciplines samen te werken. Het is research on the cutting edge, wetenschap op de raakvlakken. De hoogleraar Ouderengeneeskunde praat met de pedagoog. En dan komen de frisse ideeën.” (CW)

LUMC Research Awards uitgereikt

Op maandag 29 november werden de LUMC Research Awards uitgereikt tijdens een drukbezochte, met muziek omlijste bijeenkomst in collegezaal 5. De C.J. Kok-prijs, gefinancierd uit de nalatenschap van de Haagse biologiedocent C.J. Kok, is een ‘universitaire prijs voor jonge, veelbelovende onderzoekers die blijk hebben gegeven ontdekkingen te kunnen doen’. Winnaar dr. Richard Lemmers (Humane Genetica) kreeg hem voor onderzoek aan de spierziekte FSHD. Hij was dit jaar eerste auteur van een publicatie in Science die inzicht biedt in de complexe genetische oorzaak van de ziekte. Nu kan er gekeken worden of hier oplossingen voor kunnen worden bedacht. De meer klinische Marie Parijs-prijs ging naar dr. Suzanne Cannegieter (Klinische Epidemiologie) voor haar trombose-onderzoek. Zij hoopt een antwoord te vinden op de vraag waarom sommige mensen een tweede keer trombose in een ader krijgen, terwijl het bij anderen bij één keer blijft. Hierna werden de drie winnaars van de interne fellowships bekendgemaakt. Dr. Wiep Klaas Smits (Medische Microbiologie) is Gisela Thier-fellow 2010. Hij doet onderzoek aan de darmbacterie Clostridium difficile (en krijgt hier ook al een Veni-subsidie van NWO voor, zie pag. 6 van deze Cicero). Dr. Else Tolner gaat met haar LUMC-fellowship de afdeling Neurologie versterken met onderzoek naar het ontstaan van migraine-aanvallen. Dr. Vanessa van Harmelen gaat bij Humane Genetica als LUMC-fellow onderzoek doen naar ontstekingsreacties bij obesitas. De Leidse pedagoog prof. dr. Rien van IJzendoorn sloot de bijeenkomst af met een interessante LUMC-lecture over ‘differentiële ontvankelijkheid’ van kinderen. Door genetische verschillen heeft een positief of negatief opvoedklimaat op het ene kind veel meer invloed dan op het andere. (RH)  

Top

Veilig helpen bij stralingsincidenten

Radioactieve straling. Het klinkt veel mensen bepaald niet prettig in de oren, en dat geldt evengoed voor hulp- en zorgverleners. Zij zijn ten onrechte bang dat zij gezondheidsschade oplopen als zij slachtoffers van stralingsincidenten moeten helpen. Maar dat besmettingsgevaar is heel klein.

door Caroline van der Schaaf - foto Arno Massee

Incidenten met radioactieve stoffen leiden bij hulpverleners zelden tot besmetting van enige betekenis. Dat bleek tijdens het symposium ‘Het afhandelen van stralingsincidenten door de geneeskundige kolom’, dat op 8 oktober werd gehouden door Boerhaave Nascholing van het LUMC. De hoeveelheid straling die hulpverleners oplopen tijdens de behandeling van stralingsslachtoffers is kleiner dan de stralingsdosis waarmee radiologen of piloten en stewardessen jaarlijks te maken krijgen in hun werk. Bovendien komen deze situaties maar weinig voor. Ter illustratie: zelfs de verplegers van de Russische ex-spion Litvinenko, die in 2006 in Engeland overleed nadat hij was besmet met een hoge dosis van het zeer radioactieve polonium, liepen geen gezondheidsschade op.

Angst en onrust

De onwetendheid over het besmettingsgevaar door stralingsincidenten heeft tot gevolg dat sommige hulpverleners weigeren gewonde stralingsslachtoffers te helpen totdat de brandweer ze heeft ontsmet. Maar dat kan uren duren, met alle gevolgen van dien. Deze problemen spelen vooral bij (zwaar)gewonde stralingsslachtoffers die aan hun lot worden overgelaten, bijvoorbeeld bij een aanslag met een zogeheten ‘vuile bom’. Tijdens het symposium werd er gediscussieerd over de vraag of dit medisch-ethisch verantwoord is.

Dat er nog veel te winnen is op het gebied van het behandelen van radioactief besmette slachtoffers werd tijdens het symposium wel duidelijk. Mensen weten vaak niet goed het verschil tussen lichte radioactieve besmettingen en echt ernstige stralingsincidenten. Hierdoor ontstaat angst en onrust. “Negentig procent van de gevallen betreft niet-ernstige ongevallen”, aldus stralingsdeskundige Simon van Dullemen van het LUMC. “Een enkel geval is ernstig. Dat zijn situaties die je moet kunnen inschatten.”

Onnodige commotie

Een voorbeeld van een klein stralingsincident waarbij onnodig commotie ontstond. In 2009 viel de politie binnen bij een Amsterdammer die een hele collectie radioactief materiaal in zijn woonboot bewaarde, vertelt Ronald Overwater van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Er ontstond onrust bij de agenten van het politiebureau waar de man naartoe was gebracht (‘hij heeft op mijn stoel gezeten, kan ik die nog wel gebruiken?’). Die commotie was onterecht, maar wel verklaarbaar. “Dit zijn incidenten waarmee je als gewone geneeskundige troepen, brandweer en politie niet zoveel te maken hebt”, aldus Overwater.

Ook Debby Jochems, gezondheidskundig adviseur gevaarlijke stoffen voor de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, vertelt zo’n verhaal. Begin 2007 raakte in Gorinchem een bestelwagen met radioactief (medisch) materiaal van de weg, met een deuk aan de achterkant van de bus als gevolg. In plaats van meteen het VROM-incidentenalarmnummer te bellen, neemt de chauffeur contact op met de wegenwacht en worden er vervolgens allerlei andere instanties op de hoogte gesteld. Niemand komt op het idee om het noodnummer te bellen dat standaard in de auto ligt en waarmee VROM direct wordt ingeschakeld. Pas uren na het incident wordt Jochems gealarmeerd en even later is ook de VROM-inspectie ter plaatse. Een aangrenzend tankstation is inmiddels op last van de politie gesloten. Intussen is er commotie ontstaan, want betekent de straling die het materiaal uitzendt gevaar voor de chauffeur en bijrijder, voor de hulpdiensten en de mensen die langs de bus zijn gelopen? Ook dit incident loopt uiteindelijk met een sisser af, maar het illustreert wel hoe onwetendheid kan leiden tot overreactie en onnodige paniek.

Van rampterrein tot ziekenhuis

Ook hulpverleners in de zorg zijn vaak niet op de hoogte van stralingsrisico’s. Voor ziekenhuizen is het nodig om hun personeel te trainen in het leren omgaan met radioactief besmette slachtoffers, zo vinden deskundigen. Niet alle ziekenhuizen lijken bovendien voorbereid op de ontvangst van grotere aantallen van deze slachtoffers. En in de hulpverleningswereld is niet altijd duidelijk waar zulke slachtoffers eigenlijk naartoe moeten. Het zojuist uitgekomen rapport ‘Triage en eerste opvang van slachtoffers na radiologische incidenten’, te vinden op www.rivm.nl, geeft antwoord op veel van deze vragen. Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum van het RIVM heeft in kaart gebracht welke maatregelen nodig zijn om slachtoffers van incidenten met radiologisch materiaal op te vangen, vanaf het rampterrein tot aan het ziekenhuis. Met meer duidelijkheid hoeven toekomstige slachtoffers niet nodeloos aan hun lot te worden overgelaten. 

Mensen weten vaak niet goed het verschil tussen lichte radioactieve besmettingen en echt ernstige stralingsincidenten

Top

Zoveel hoofden, zoveel zinnen

Eind september vroegen we naar uw mening over dit blad. Wat vindt u van onderwerpen, stijl en vormgeving? We kregen antwoord van bijna 600 lezers.
Door Rosanna Smit en Mieke van Baarsel

Het vorige lezersonderzoek Cicero dateerde uit 2003. Het was dus hoog tijd om weer eens ons oor te luisteren te leggen bij de lezers. Ook omdat Cicero af en toe moet vernieuwen en we graag van de lezers horen wat zij van ons verwachten.

De laatste verandering die Cicero doormaakte, was toen het medewerkersblad Lumens werd opgericht, maart 2009. Sindsdien richt Cicero zich vooral op externe relaties, met nadruk ook op patiënten en bezoekers van het LUMC. Deze verdeling is zeer gebruikelijk; bijna alle andere UMC’s en de meeste grotere bedrijven hanteren ook dit onderscheid.

Maar tradities zijn taai. Ons laatste lezersonderzoek leverde een behoorlijke respons (580) op, met als grootste groep ... juist, de medewerkers (40 procent). Gelukkig reageerden ook uit andere lezerscategorieën genoeg mensen. De voornaamste resultaten op een rij.

  • Cicero krijgt van meer dan de helft van de respondenten een acht. 22 procent deelde een negen uit en 15 procent een zeven, een enkeling zelfs een tien. Dat is natuurlijk een groot compliment!
  • Cicero telt nogal wat gepensioneerde lezers. Vaak mensen die in Leiden gestudeerd hebben, of oud-medewerkers.
  • De meesten vinden het blad goed leesbaar.
  • Op de vraag welke onderwerpen te veel aandacht krijgen,  antwoordde 73 procent van de respondenten: ‘geen’.
  • 21 procent wilde meer aandacht voor strategische keuzes en beleid van het LUMC, 16 procent wilde meer aandacht voor patiëntenzorg en ook 16 procent zou graag (nog) meer over wetenschap lezen.

Zo’n 250 lezers maakten van de gelegenheid gebruik om een zinnetje toe te voegen. Nog meer dan uit cijfers blijkt hier dat er heel verschillend gedacht wordt over dezelfde dingen. Een representatieve greep uit de opmerkingen:

  • Graag een handzamer formaat.
  • Te glossy.
  • Besteed ook aandacht aan wat minder goed gaat.
  • Belicht het LUMC meer vanuit de ervaring van de patiënt.
  • Schrijf ook eens over het werk van logistiek medewerkers en secretaresses.
  • Fijn dat Cicero in bakken in het LUMC wordt aangeboden.
  • Graag weer versturen naar afdelingen.
  • Graag meer afhaalpunten, en opvallender neergezet.
  • Compliment voor de cover, altijd origineel.
  • Foto omslag vaak triviaal, bijvoorbeeld de tomaten van nr. 7.
  • Merkwaardig dat er geld is voor een blad van zo’n matige kwaliteit.
  • Waarom Cicero en Lumens in één organisatie?
  • Ik ben een studentje zonder medische achtergrond maar toch vind ik dit een erg interessant blad.
  • Niet te veel veranderen aan het concept.
  • Ik vind Cicero een topblad. Altijd interessante onderwerpen en mooi vormgegeven. Heb er veel aan in verband met mijn journalistieke arbeid.

Alle lezers tevreden stellen is moeilijk. Maar als redactie gaan we nog eens goed kijken welke richting de lezers aangeven. Het resultaat ziet u volgend jaar. Aan één genoemde suggestie geven we in elk geval gehoor: in deze Cicero vindt u weer eens een puzzel, al zal dat een uitzondering blijven. 

  • Welk cijfer geeft u Cicero?
  • Wat leest u in Cicero

(meerdere antwoorden mogelijk)

Top

Veel flesjes water

Samen met zijn zoon onderzocht emeritus internist Edo Meinders het fenomeen rond mensen met een flesje water. “Ik zag steeds meer studenten tijdens colleges met een flesje water. Ik vroeg me af waarom ze dat deden en of zij dachten dat het lichaam dat nodig heeft.” En blijkbaar vroegen meer mensen zich dat af. Vader en zoon Meinders bestudeerden de literatuur en publiceerden hun bevindingen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG). Omdat hun artikel het afgelopen half jaar maar liefst vierduizend keer werd gedownload kregen zij tijdens de eerste NTvG-dag op 13 november de prijs voor het meest gedownloade commentaar uitgereikt.

De mode om ‘voldoende’ water te drinken is overgewaaid uit de VS. Het Amerikaanse advies luidt om twee liter water per dag te drinken, naast koffie, thee en andere dranken die genuttigd worden. In het LUMC werd gekeken bij ruim duizend studenten en scholieren naar het hoe en waarom van het water drinken. De helft van de ondervraagde jongeren gaf aan altijd een flesje water bij zich te dragen, maar slechts 5 procent dronk uiteindelijk twee liter water per dag. Het zou goed zijn voor de huid, het spoelt het lichaam door en helpt bij het afvallen. Maar de onderzoekers vonden geen wetenschappelijke onderbouwing voor deze veronderstellingen. Het is niet aangetoond dat je huid er mooier van wordt en hoewel je tijdelijk een vol gevoel krijgt van al dat water, val je er op de lange termijn niet van af. Hoeveel moet je dan drinken? Volgens de berekening in dit artikel kan een gezonde volwassene volstaan met het drinken van een halve liter water per dag. Overigens schaadt het ook niet om wél die twee liter water per dag te drinken. Wat u meer drinkt dan nodig, scheiden gezonde nieren moeiteloos uit. Alhoewel het drinken van heel veel water in korte tijd zeker niet aan te raden is; dat kan tot watervergiftiging leiden. (CW)  

Top

Tunnelvisie

Drie jaar geleden beschreef cardioloog Pim van Lommel bijna-doodervaringen van patiënten in zijn boek Eindeloos bewustzijn. Dat was wel vaker gedaan, maar Van Lommel probeert BDE ook wetenschappelijk te verklaren vanuit het idee dat onze ziel doorleeft na de dood. Onzin, oordeelden velen, onder wie hersenonderzoeker prof. Dick Swaab in zijn recente bestseller Wij zijn ons brein. Ieder aspect van de BDE is goed te verklaren vanuit het hersenonderzoek, aldus Swaab. Hij bekrachtigt zijn ideeën door onderzoek aan te halen van LUMC-neuroloog prof. Gert van Dijk. Die doet kantelproeven met mensen die vaak van hun stokje gaan om de oorzaak hiervan te achterhalen. De patiënten vallen dan flauw onder gecontroleerde omstandigheden. Geregeld hebben ze hierbij tijdelijk een vlak EEG, wat wijst op afwezigheid van hersenactiviteit. Hierbij rapporteren sommigen ervaringen die sterke gelijkenissen vertonen met BDE. “Ze spreken van een gelukzalig of vredig gevoel, het gevoel in een totaal andere wereld terecht te zijn gekomen”, vertelt Van Dijk. Hij herinnert zich een vrouw die een kleine minuut niet op vragen reageerde, terwijl op het EEG te zien was dat ze alweer bij was gekomen. “Later vertelde ze dat ze ons wel gehoord had, maar dat ze dat op dat moment als totaal onbelangrijk ervoer.” Een andere patiënte vertelde dat ze na het flauwvallen in de sauna van haar huis naakt door de met visite gevulde woonkamer was gelopen. Schaamte daarover ervoer ze pas later. Ook Van Dijk vindt dat er geen enkele reden is om BDE metafysisch te verklaren, omdat neurologische verklaringen voldoen. “Van Lommel schermt met de constatering dat mensen hun BDE krijgen terwijl hun EEG vlak is. Als er geen hersenactiviteit is, dan moeten hun ervaringen wel bovennatuurlijk zijn, zo luidt zijn betoog.” Van Dijk plaatst hier kritische kanttekeningen bij. “Er is geen enkel bewijs dat die belevingen dan ontstaan. De hersenactiviteit gaat nooit in één keer naar nul. Het is veel waarschijnlijker dat de bijna-dood-ervaringen ontstaan in de tijd tussen een normaal en een vlak EEG, dus als de hersenschors wel werkt, maar niet normaal.”

Ook andere verschijnselen zijn minder raadselachtig dan ze lijken. Mensen met een BDE zien vaak een tunnel met helder licht aan het einde. Dat kan goed te maken hebben met de doorbloeding van de oogbol. Als de bloedtoevoer vermindert, heeft dat het eerst effect op de zijkanten van het gezichtsveld. Het centrum blijft het langst helder, wat een tunnelervaring teweegbrengt. Ook dat kan bij flauwvallen optreden. Een ander fenomeen dat vaak optreedt bij BDE’s is het gevoel uit het lichaam te treden. In het laboratorium kunnen uittredingservaringen nu worden opgewekt door stimulatie van bepaalde hersengebieden. Dat geldt ook voor het zien van een film over het eigen leven. Door stimulatie van de temporaalkwab kreeg een patiënt plots levendige herinneringen aan gebeurtenissen van dertig jaar gelden. Bekend is bovendien dat de bij deze verschijnselen betrokken hersengebieden bij zuurstofgebrek zeer snel uit het lood raken. De BDE die Van Lommel beschrijft hebben vaak een groot effect op de mensen. Mensen gaan anders in het leven staan, vragen soms een echtscheiding aan. Van Dijk hoort dat soort verhalen nooit. Is er dan toch verschil tussen een ‘echte’ BDE en een die wordt opgewekt door flauwvallen? Van Dijk: “Dat verschil zou te maken kunnen hebben met de context. Wie een BDE krijgt en écht bijna dood is gegaan, met gillende ambulances of zwetende artsen om zich heen, ervaart dat heel anders dan wie flauwvalt in een rustige omgeving.” Hij begrijpt dat mensen behoefte hebben aan spiritualiteit. “Ik zeg ook niet dat diepere fenomenen niet zouden kunnen bestaan, maar bijna-doodervaringen lijken vooralsnog gewoon een uiting van ontregelde hersenfuncties.” (RH) 

Top

Hormoonreceptor met karakter

Een receptor voor verschillende bijnierhormonen kent een aantal genetische varianten. Nienke van Leeuwen ontdekte dat deze varianten, afhankelijk van de sekse, verschillende effecten kunnen hebben op stressreacties.

door Jan Hein van Dierendonck

‘Onze individuele persoonlijkheid wordt beïnvloed door genetische variatie in de mineralocorticoïd receptor,’ luidt een proefschriftstelling van medisch biologe Nienke van Leeuwen. Dat proefschrift heeft een lang inleidend hoofdstuk. Ze legt uit waarom: “Ik ben begonnen in Psychiatrische Ziekenhuis Rivierduinen, waar ik als onderzoeksanaliste werkte bij Roel de Rijk. Ik keek vanuit de psychiatrie naar één van de cellulaire receptoren voor het stresshormoon cortisol, de zogeheten mineralocorticoïd receptor (MR). Die MR is een eiwit dat, zoals uit diermodellen blijkt, invloed heeft op gedrag, maar mogelijk ook op depressie. Toen het laboratorium verhuisde naar de afdeling Medische Farmacologie, ben ik daar verder gegaan als AIO en hebben we in het onderzoek ook de vocht- en zoutregulatie van het lichaam betrokken. MR kan namelijk óók binden aan aldosteron, een ander bijnierschorshormoon dat de water/zout-balans regelt. Terwijl in de hersenen MR vooral bindt aan cortisol, bindt het in nieren, darm en zweetklieren vooral aan aldosteron. Toen de mogelijkheid zich voordeed zijn we, samen met een groep in Parijs, ook de effecten van de MR-genvarianten op bloeddrukregulatie gaan bepalen. Zo kregen we uiteindelijk een heel compleet beeld van wat er in het lichaam gebeurt.”

Neuroticisme

Maar eerst onderzocht Van Leeuwen of er wellicht nog onbekende variaties bestonden in het gen dat codeert voor het MR-eiwit. “Het gaat om variaties in één letter van de DNA-code, zogenaamde SNPs. Alle SNPs die ik vond bleken al bekend. Er zit nu eenmaal weinig variatie in dit gen, vermoedelijk omdat de MR zo cruciaal voor het leven is. Genmutaties leiden al op jonge leeftijd tot ernstige ziektes.”

Van Leeuwen ontdekte dat gezonde mensen met een bepaalde SNP-combinatie meer stress ondervinden en dat cellen met deze varianten ook de hoogste expressie vertonen van MR. Ook vond ze dat bij dragers van deze SNPs ‘sociale isolatie’ en ‘hoge werkdruk’ meer chronische stress opleverden. “Op basis daarvan ben ik gaan kijken of de MR-variatie ook invloed heeft op depressie. Helaas was de groep van 150 patiënten te klein om die effecten eruit te halen. Wel zag ik een duidelijk verband met het persoonlijkheidskenmerk neuroticisme, iets dat overigens niet aantoonbaar bleek in de – wellicht te kleine – controlegroep van psychisch ‘gezonde’ personen.”

Oestrogenen

En hoe zat het nu met de bloeddruk? Die bleek weer geassocieerd met een andere SNP. Van Leeuwen ontdekt ook dat sommige SNP-effecten sterk sekseafhankelijk zijn. “Als je ‘s ochtends wakker wordt is er even een piekwaarde van cortisol in je bloed. Die piek is bij alle MR-varianten hetzelfde, tenzij proefpersonen voor het slapen gaan dexamethason kregen, een kunstmatig cortisol dat het hele stress­systeem blokkeert. Dan bleek de ochtendpiek bij sommige MR-varianten duidelijk lager bij vrouwen en juist hoger bij mannen. Bij een andere variant zag je juist hogere waarden bij mannen en geen enkele verandering bij vrouwen. Een en ander heeft ongetwijfeld te maken met het gegeven dat MR ook kan binden aan het vrouwelijk geslachtshormoon progesteron – en daardoor niet aan aldosteron of cortisol. Bovendien was eerder in ratten aangetoond dat oestrogenen in cellen de mate van expressie van MR regelen. Vrouwen die aan de pil zijn hebben bovendien een verhoogde hoeveelheid van het eiwit transcortine, dat in het bloed cortisol bindt waardoor dit inactief blijft.”

Samenvattend denkt Van Leeuwen dat deze algemeen voorkomende MR-varianten bepalend zijn voor iemands stressreactiviteit en dus ook voor kwetsbaarheid voor verschillende ziekten.

Nienke van Leeuwen promoveerde op 9 november bij prof. Ron de Kloet (Medische Farmacologie, LACDR) en prof. Frans Zitman (Psychiatrie) op haar proefschrift Mineralocorticoid receptor gene variants; implications for stress, blood pressure and personality.

Stelling "Medische kennis en Google zijn geen uitwisselbare begrippen." Maarten Titulaer

Top

Verder promoveerden 

Peter van Vliet, 10 november: Determinants of cognitive function in old age. Promotor: prof. Rudi Westendorp (Ouderengeneeskunde). Over de factoren die bijdragen aan geestelijke achteruitgang op latere leeftijd.

Victoria Delgado, 11 november (cum laude): Novel cardiac imaging technologies: implications in clinical decision making. Promotoren: prof. Jeroen Bax en prof. Martin Schalij (beide Hartziekten). Over nieuwe afbeeldingstechnieken voor het hart en hoe die de behandelstrategie beïnvloeden.

Diederik van de Wetering, 17 november: Regulation of the Th1 immune response: the role of IL-23 and the influence of genetic variations. Promotor: prof. Jaap van Dissel (Infectieziekten). Over de rol van IL-23 en genetische variaties bij het reguleren van afweerrecties.

Jan Willem Dierssen, 17 november: Molecular pathology of mismatch repair deficient tumours with emphasis on immune escape mechanisms. Promotoren: prof. Hans Morreau (Pathologie) en prof. Cees Cornelisse. Over het moduleren van het afweersysteem zodat het tumorcellen kan aanvallen bij dikkedarmkanker.

Wanda Han, 18 november: Immunomodulation by dendritic cells and regulatory T cells. Promotoren: prof. Tom Huizinga en prof. René Toes (beiden Reumatologie). Over het moduleren van afweercellen als behandeling voor auto-immuunziekten zoals reuma.

Maarten Titulaer, 24 november (cum laude): Prediction of small cell lung cancer in the Lambert-Eaton myasthenic syndrome. Promotoren: prof. Jan Verschuuren en prof. Raymund Roos (beiden Neurologie). Over het voorspellen van longkanker bij LEMS, een spierziekte die soms het eerste symptoom is van longkanker.

Nadine van Montfoort, 25 november: Antigen targeting to Fc receptors on dendritic cells. Promotor: prof. Kees Melief (Immunohematologie & Bloedtransfusie). Over het verbeteren van vaccins tegen kanker.

Bart Emmer, 25 november: On Lupus of the Brain. Promotoren: prof. Mark van Buchem (Radiologie) en prof. Tom Huizinga (Reumatologie). Over de hersenvariant van de auto-immuunziekte lupus.

Crina Balog, 30 november: Metabolomics, peptidomics and glycoproteomics studies on human schistosomiasis mansoni. Promotor: prof. André Deelder (Parasitologie). Zie hierboven.

Antoinet Gijsbers, 30 november: High-resolution karyotyping by oligonucleotide microarrays: the next revolution in cytogenetics. Promotoren: prof. Bert Bakker en prof. Martijn Breuning (beiden Klinische Genetica). Over het opsporen van chromosoomafwijkingen die een rol spelen bij ontwikkelingsstoornissen.

Ellen Klaassens, 30 november: Bouncing Back: Trauma and the HPA-axis in healthy adults. Promotor: prof. Frans Zitman (Psychiatrie). Over de invloed van traumatische gebeurtenissen op het stresssysteem.

Jolanda Liefhebber, 1 december: Hepatitis C virus intracellular host interactions. Promotor: prof. Willy Spaan. Over de complexe inter-      actie tussen het hepatitis C virus en de gastheercellen.

Lloyd d’Orsogna, 8 december (cum laude): Alloreactivity from human viral specific memory T-cells. Promotor: prof. Frans Claas (Immunohematologie & Bloedtransfusie). Over afweerreacties tegen getransplanteerd weefsel.

Sjoerd Mollema, 9 december: Echocardiographic evaluation of left ventricular function in ischemic heart disease. Promotoren: prof. Jeroen Bax en prof. Martin Schalij. Over het met echotechnieken beoordelen van de linkerkamerfunctie.

Top

Van wormen naar darmkanker

In de rubriek ‘Blijvertje’ portretteren we een promovendus die na zijn promotie in het LUMC blijft werken.

Crina Balog (36) promoveerde onlangs op haar zoektocht naar biomarkers voor parasitaire wormen. Ze ontdekte verschillende kandidaten die mogelijk bruikbaar zijn voor betere diagnostische testen. De komende jaren wil de promovenda haar expertise blijven inzetten binnen het LUMC, maar dan voor de diagnostiek van darmkanker.

door Els van den Brink - foto Arno Massee

Wetenschappelijk onderzoek heeft grote maatschappelijke relevantie en verduidelijkt vragen waar je later veel aan hebt, stelt promovenda Crina Balog (Parasitologie). Dat geldt zeker voor haar promotieonderzoek naar schistosomiasis, na malaria de meest voorkomende parasitaire ziekte. Zo’n zeshonderd miljoen mensen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika zijn besmet met deze parasitaire wormen. Een deel van de eieren van de wormen komt terecht in de lever. Hier veroorzaken de eitjes ontstekingen die de werking van de lever aantasten. De nu beschikbare diagnostische testen zijn vaak niet gevoelig genoeg en maken niet zichtbaar hoeveel schade de parasieten hebben aangericht. Balog wilde met haar promotieonderzoek een bijdrage leveren aan verbeterde diagnostiek. Ze ging op zoek naar stoffen in de urine van patiënten die kunnen dienen als maat voor zowel de aanwezigheid van de infectie, als de mate van leverbeschadiging.

Vanuit een samenwerkingsproject met drie Europese en drie Afrikaanse landen had Balog de beschikking over een groot aantal urinemonsters van schistosomiasispatiënten uit Oeganda. Zij analyseerde deze monsters met verschillende state-of-the-art technieken, zoals massaspectrometrie, waarmee onbekende moleculen geïdentificeerd kunnen worden. Balog vertelt: “We hebben verschillende potentiële biomarkers gevonden die duidelijk kunnen maken hoeveel schade de ziekte al heeft veroorzaakt. Daarnaast vonden we een afwijkend glycopeptide, oftewel een stukje eiwit met een aparte suikerstaart, die een biomarker zou kunnen zijn voor de infectie.” Verder onderzoek moet duidelijk maken of deze biomarkerkandidaten echt toepasbaar zijn.

De uitvoering van dat vervolgtraject laat Balog aan anderen over. Zij gaat haar expertise inzetten voor een heel andere ziekte, namelijk darmkanker. “We willen darmkanker graag in een eerder stadium detecteren, omdat de overlevingskansen dan veel beter zijn. Daarbij maken we gebruik van het feit dat de suikerstaarten van eiwitten in tumoren anders zijn dan in normale cellen. Op basis daarvan willen we een snelle screeningstest ontwikkelen.” Als postdoctoraal onderzoeker heeft Balog daar anderhalf jaar de tijd voor gekregen, maar door het aanvragen van een Veni-subsidie hoopt ze daar nog een aantal jaar aan vast te kunnen plakken. “Massaspectrometrie is een mooie techniek met veel potentie; je kunt er veel vragen mee beantwoorden. Daar wil ik graag nog jaren mee doorgaan.” 

Top

Oproep

De redactie van Cicero mist in haar archief de eerste jaargang van het blad: 1986. Hebt u die en wilt u hem kwijt? Wij zijn er erg blij mee!
Redactie

Top

Het toont en onttrekt zich

De tekeningen van B.C. Epker leiden de toeschouwer naar een ongerijmde, raadselachtige wereld. In eerste instantie lijken de beelden herkenbaar, maar bij nadere beschouwing ontglipt de betekenis ervan. Epker beweegt zich op het snijvlak van bewustzijn en onderbewustzijn. Daar jongleert hij met collectieve herinneringen, kunsthistorische referenties en filosofische ideeën. Zijn werk toont een mengeling van beelden, gevoed door gebeurtenissen, driften, dromen en fantasie.

De tekening hier afgebeeld toont ons Maria met het Jezuskind. Epker lijkt de klassieke bijbelvertelling te willen herbeleven. Hij brengt de figuren dichtbij door ze af te beelden als mensen van vlees en bloed en door zichzelf met de personages te identificeren. Zo is de Christusfiguur waarschijnlijk Epker zelf.

Om de oude bijbelse voorstelling nieuwe betekenissen te geven en de setting te verdiepen gebruikt Epker vele verwijzingen. Zo laat hij de Christusfiguur beter horen door de trechter aan zijn oor te plaatsen, en beter kijken door hem van vele ogen te voorzien. De hand van de goddelijke Christus lijkt op te gaan in het menselijke lichaam van moeder Maria, waardoor hij intens met haar verbonden is. Zijn andere hand lijkt een vleugel te worden en toont uitdagend een appel. Langzamerhand onthullen zich verschillende betekenissen. Maar omdat zich steeds nieuwe mogelijkheden aandienen, geeft de tekening zich nooit helemaal prijs. “Een kunstwerk toont en onttrekt zich”, schreef de Duitse filosoof Martin Heidegger over de ware aard van de kunst, een toepasselijk citaat voor de interpretatie van de tekeningen van B.C. Epker. (SvN)  B.C. Epker, Schoonheid. bic pen, pastel, aquarel op papier, 42 x 29,7cm, 2001

De kunstwerken in deze rubriek zijn onderdeel van de kunstcollectie van het LUMC.

Top

Colofon

Cicero is een uitgave van het Leids Universitair Medisch Centrum (lumc). Cicero wordt geproduceerd door het directoraat Communicatie. Overname van artikelen, met bronvermelding, is toegestaan na toestemming van de directeur Communicatie of diens plaatsvervanger.
Oplage: 11.000 / issn 0920-2900

Redactie: Mieke van Baarsel; Raymon Heemskerk; Diana de Veld; Christi Waanders
eindRedactie: Raymon Heemskerk

Aan dit nummer werkten mee: Els van den Brink; Jan Hein van Dierendonk; Arie den Draak; Dick Duynhoven; Astrid Hageman; Inge van der Hoeven; Menno Kröse; Sandrine van Noort; Masja de Ree; Caroline van der Schaaf; Rosanna Smit; Willy van Strien

Fotografie: Marc de Haan; Arno Massee; Dirk Ketting (omslag);Geert Jan van Rooij

Redactieraad
Kees Bartlema – div. 1
Jaap Fogteloo – div. 2
Vacature – div. 3
Tom Hammer (voorzitter) – div. 4
Roeland Dirks – div. 5
Ruud Kukenheim – directeuren
Eldrid Bringmann – doo
Martie van Beuzekom – verpleegkundige adviesraad
Jeroen van Suylichem – m.f.l.s.

vormgeving en Layout-Tigges strategie concept & ontwerp, Rijswijk

Prepress en druk - Groen Media Services

CONTACT

Directoraat Communicatie,
Postbus 9600, 2300 rc Leiden
071-5268005, fax 071-5248134
cicero@lumc.nl
www.lumc.nl/cicero

Abonnementen Jaarabonnement € 25,00; (studenten € 18,50) Postabonnementen voor medewerkers lumc € 9,00

CICERO NR. 1 VERSCHIJNT OP 25 JANUARI 2011.

Top



Downloads

VRIJHEIDSLEZING 2012


De Vrijheidslezing wordt uitgesproken op maandag 4 juni om 15.00 uur in de Pieterskerk te Leiden. Wilt u deze lezing bijwonen? Meld u dan aan voor de Vrijheidslezing 2012.

TWITTER


SAMENWERKEN


Samenwerken in projecten binnen een SharePoint omgeving. De toegang is alleen voor geautoriseerde gebruikers.
Meer informatie en inloggen.