LUMC - Leids Universitair Medisch Centrum Leids Universitair Medisch Centrum
Over het LUMC Contact Sitemap Veelgestelde vragen English website
 
 
 

17 mei 2010

Nummer 5
Te veel aan je hoofd.

Langdurige stress maakt vergeetachtig en depressief  Voor het goede doel. Bontius Stichting werft fondsen voor lumc-onderzoek Beeldvorming in praktijk. Het hart goed weergeven helpt arts en patiënt







Gastvrij

Zo’n 350.000 kopjes koffie per jaar gaan er doorheen in het LUMC. Dat is een sloot van zo’n 45.000 liter. Patiënten, medewerkers, congresbezoekers en vele anderen slobberen deze plas Douwe-Egberts-koffie tevreden naar binnen. Nog altijd is koffie favoriet boven thee, waarvan jaarlijks in het LUMCnaar schatting zo’n 200.000 kopjes genuttigd worden. Al lijken jongeren wel relatief vaak thee te drinken.

Top

Stress!!!

Cortisol is nodig om stressvolle situaties het hoofd te bieden. Maar giert het stress-hormoon te lang door onze aderen, dan ondermijnt het juist dat hoofd. Met vergeetachtigheid en depressiviteit als gevolg.

Door Raymon Heemskerk - foto Arno Massee

Spaanse onderzoekers toonden onlangs aan dat de hoeveelheid cortisol de pan uit rijst bij mannen die alleen worden gelaten met een knappe, jonge vrouw. Acuut verhoogd cortisol zorgt ervoor dat je beter met spannende situaties om kunt gaan; hoe onvoorspelbaarder en onbeheersbaarder de omstandigheden zijn, des te hoger is de cortisolafgifte. Het is de spil van het stresssysteem. “Aan het begin van het leven wordt al geprogrammeerd hoe je later met stress zult omgaan”, vertelt emeritus prof. dr. Ron de Kloet (Neurofarmacologie). Hij heeft veel onderzoek aan het stresssysteem van ratten gedaan. “Ratten die vroeg bij hun moeder zijn weggehaald reageren later heftiger bij stressvolle gebeurtenissen. Dat hoeft niet slecht te zijn, soms kan dat juist gunstig zijn omdat je weerbaarder bent in moeilijke situaties. Maar als je als rat in een saaie kooi in een laboratorium leeft, is een overmatige stressreactie niet nuttig. Dat geldt ook voor mensen: als bergbeklimmer heb je veel aan stresshormonen, als bankbediende kun je er last van krijgen.”

Syndroom van Cushing

Cortisol is een hormoon dat door de bijnieren wordt geproduceerd. Het heeft effecten op allerlei organen. In de spieren zorgt het bijvoorbeeld voor de omzetting van eiwitten in suikers. Die kan het lichaam meteen gebruiken om voor een wild dier te vluchten, een vliegtuig aan de grond te zetten of een vrouw te versieren. Cortisol onderdrukt verder de afweer en heeft effecten op de hersenen. “Cortisol stimuleert de opslag van herinneringen”, vertelt De Kloet. Omdat het vrijkomt bij stressvolle en emotionele gebeurtenissen onthoud je die goed. Je slaat ook op hoe je je úit die toestand redt. Als je een volgende keer iets soortgelijks meemaakt, kun je er daardoor beter mee omgaan.”

Cortisol is dus functioneel in allerlei psychische of lichamelijk uitdagende situaties. Maar ook hiervoor geldt: te veel is niet goed. Bij mensen met het syndroom van Cushing is dat precies het probleem. Ze hebben een tumor waardoor er te veel cortisol gemaakt wordt. Dat kan komen door een woekering van bijniercellen. Maar vaak is een tumor in het hoofd de boosdoener. De hypofyse maakt namelijk een stof die de bijnieren tot productie van cortisol aanzet.

Boodschappenlijstje

“Het syndroom van Cushing is een uniek, fascinerend model om de effecten van cortisol te bestuderen”, zegt prof. dr. Hans Romijn (Endocrinologie), die het onderzoek samen met collega dr. Alberto Pereira Arias doet. “Een te hoog cortisolgehalte in het bloed zorgt voor ernstige symptomen zoals verlies van spierkracht, een verstoorde vetverdeling en psychische stoornissen.” De ziekte van Cushing is bij de meeste patiënten goed te behandelen door de tumor te verwijderen. De cortisolspiegel normaliseert zich dan weer. Toch blijven mensen vaak klachten houden, zag Romijn bij zijn patiënten. Daarom startte hij een onderzoek. De deelnemers - die al zo’n tien jaar genezen waren van de ziekte - werden door psycholoog Jitske Tiemens-ma (Endocrinologie) getest. Zo’n 60 procent van de deelnemers meldde spontaan in het dagelijks leven geheugenproblemen te hebben. Ze maakten nu bijvoorbeeld gebruik van een boodschappenlijstje, terwijl ze dat voorheen niet nodig hadden. Uit dit psychologisch onderzoek bleek dat de geheugenfunctie en besluitvaardigheden van voormalig Cushingpatiënten slecht waren in vergelijking met andere personen van dezelfde leeftijd, geslacht en opleiding. De onderzoekers denken dat dit een gevolg is van het teveel aan cortisol waarmee ze te kampen hebben gehad, aangezien andere hormonen niet verstoord zijn bij de ziekte van Cushing. Cortisol brengt hersencellen blijkbaar schade toe die zich niet meer herstelt, schrijven de onderzoekers in The Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism. Tiemensma won met een presentatie van deze studie de prestigieuze Young Investigator Award op het recente European Congres of Endocrinology.

De Kloet zag bij ratten een zelfde effect van het stresshormoon. “Op korte termijn helpt cortisol om informatie vast te leggen, maar veel cortisol gedurende langere tijd beschadigt juist de hersencellen in de hippocampus, die belangrijk zijn voor het geheugen. Op jonge leeftijd kunnen ze zich nog wel herstellen, maar op latere leeftijd worden de hersenen minder kneedbaar en zijn de gevolgen blijvend”, aldus De Kloet.

Ongunstige vetstofwisseling

Romijn wijst op de implicaties van deze ontdekking. “Chemische varianten van cortisol, corticosteroïden zoals prednison, worden veel gebruikt bij ziekten als astma en kanker. Uit ons onderzoek blijkt dat cognitieve stoornissen een nog miskende, Chemische varianten van cortisol, zoals prednison, worden veel gebruikt als medicijn maar onomkeerbare bijwerking vormen van corticosteroïden. Het gebruik ervan moet niet gestaakt worden”, aldus de endocrinoloog, “maar voor- en nadelen moeten wel goed afgewogen worden.”

Een teveel aan cortisol kan ook gevolgen hebben voor iemands psychische gesteldheid. Dr. Gerthe Veen (Psychiatrie) promoveerde eind april op onderzoek naar de invloed van het stresshormoon op depressie en angststoornissen. “Chronisch verhoogd cortisol in het bloed kan leiden tot deze psychische stoornissen. We zagen in ons eigen onderzoek bij een aantal psychiatrische patiënten ook een te hoog cortisolgehalte in het speeksel, maar bij een ander deel van de patiënten was het cortisolgehalte juist te laag”, vertelt Veen. “Misschien gaat een te hoog cortisolgehalte bij een langdurige depressie of angststoornis, of als zo’n psychische stoornis verergert, juist over in een te láge hoeveelheid cortisol. Wat de meest effectieve behandeling voor iemand is hangt wellicht af van zijn cortisolspiegel”, aldus de psychiater. Zij hoopt dat er in de toekomst in de psychiatrische praktijk meer aandacht zal zijn voor de rol van cortisol bij de diagnostiek en behandeling van depressie en angststoornissen.

Traumatische ervaring

Een depressie is een lichamelijke aandoening die leidt tot beschadiging van hart, bloedvaten en afweersysteem, luidt een stelling bij het proefschrift van Veen. Ook hierbij is cortisol de verbindende factor, denkt ze. Cortisol remt de afweer, en om die reden wordt het ingezet bij aandoeningen waarbij het immuunsysteem getemperd moet worden, licht de promovenda toe. “Verder zagen we bij patiënten met een te hoog cortisolgehalte een ongunstige vetstofwisseling. Daarvan is bekend dat die de risico’s op hart- en vaatziekten vergroot.” De Amsterdamse promovenda Nicole Vogelzangs toonde onlangs een verband aan tussen buikvet en depressiviteit bij ouderen. Ook hierbij zou cortisol de centrale speler zijn, die naast depressiviteit de opslag van vet in de buikholte stimuleert.

De kennis over het effect van cortisol op het geheugen kan van nut zijn bij het kwijtraken van nare herinneringen. “In de psychiatrie worden al middelen toegepast die de effecten van traumatische ervaringen kunnen verminderen”, vertelt De Kloet. Je hoeft die niet per se direct na een traumatische ervaring te geven. “Door iemand zijn ervaring te laten herbeleven en op het juiste tijdstip blokkers van cortisol te geven, kun je herinneringen laten uitdoven. Dat vakgebied staat wel nog in de kinderschoenen.

Chronisch verhoogd cortisol kan leiden tot depressie en angststoornissen

Top

Naar de huisarts voor kleine ingrepen?

De Raad voor de Volksgezondheid en Zorg wil dat de huisarts taken van ziekenhuizen overneemt, zoals sterilisaties en echo’s maken. Dan zouden we met minder ziekenhuizen toe kunnen. Is dat een goed idee, en waarom?

Door Mieke van Baarsel - foto Arno Massee

Halbe Zijlstra, lid van de Tweede Kamer voor de VVD: “Het hangt ervan af hoe je de huisarts financiert. We hebben juist financiering op basis van verrichtingen ingevoerd. Dat geeft een conflict met de basistaak van de huisarts: beoordelen in hoeverre een patiënt naar de ‘tweede lijn’ (specialisten in een ziekenhuis, naar wie de huisarts – de eerste lijn – verwijst, red.) door moet. Het is niet goed als een ingreep meteen extra geld in het laatje brengt. Dan heb je een perverse prikkel.

In het algemeen vinden wij prestatiebekostiging een prima idee, maar er moet geen één-op-één-relatie zijn met het inkomen, ook niet bij specialisten. Wij denken dat specialisten eigenaar of aandeelhouder zouden moeten zijn van hun ziekenhuis. Dan is de koppeling minder direct en dan spelen er veel andere factoren mee.

Ik ben dus sceptisch over het idee. We moeten oppassen dat we niet ziekenhuizen opheffen om vervolgens allemaal mini-ziekenhuisjes in het leven te roepen.”

Pim Assendelft, hoogleraar huisartsgeneeskunde: “Leuk idee, ik had het zelf kunnen bedenken. Helemaal nieuw is het niet. Er zijn al huisartsen gespecialiseerd in ouderenzorg en in kleine oogoperaties, bijvoorbeeld. De huisarts kan best wat taken overnemen van de specialist, op voorwaarde dat hij daarvoor voldoende patiënten ziet en voldoende ervaring kan opbouwen. Bovendien moeten er goede afspraken komen tussen de eerste en tweede lijn, zodat er bij verwijzing geen dubbel werk wordt gedaan. Ik kan me voorstellen dat in één huisartsenpraktijk de partners zich in verschillende ingrepen en taken specialiseren.

Ik ben niet bang dat het aantal verrichtingen uit de hand gaat lopen. We kunnen duidelijke indicatoren opstellen en dat goed bewaken. Het voordeel is dat we de patiënt zoveel mogelijk uit het ziekenhuis houden. Het liefst zou ik terugkeren naar het oude team huisarts – maatschappelijk werkende – wijkverpleegkundige. Daarmee voorkom je dat de huisarts de enige verantwoordelijke is binnen de eerste lijn. Als je één beroepsgroep zo’n exclusieve positie geeft, krijgt die de neiging om alles naar zich toe te trekken.”

Henk van Gerven, lid van de Tweede Kamer voor de SP: “Geen goed idee. Het is ingegeven door de gedachte dat de zorg onbetaalbaar zou worden. Wij vinden dat we in de eerste plaats moeten kijken naar de behoefte van patiënten. De huisarts als generalist is een groot goed. Maar er zijn te weinig huisartsen, ze zijn niet goed genoeg bereikbaar en de structuren zijn te grootschalig. Het blijkt dat grote praktijken elk jaar 7 procent meer omzet hebben, maar kleine niet. De kosten nemen bij kleinschaligheid dus minder toe.

Sterilisaties? Huisartsen zijn daar niet voor. Sommige zullen het misschien leuk vinden om dit soort ingrepen te doen. Maar in het algemeen is het alleen maar een manier om te bezuinigen. Wij denken overigens dat er wel te besparen valt. Schaf de dbc’s en de prestatiebekostiging af. Laat specialisten in loondienst werken, zodat er geen eigenbelang speelt bij het aantal verrichtingen. Dat de zorg onbetaalbaar dreigt te worden, beweert men al vijftig jaar. Het is maar wat je ervoor over hebt. Met andere woorden: het is een politieke keuze.

Rob Pelger, hoogleraar urologie: “Sommige huisartsen doen al sterilisaties, maar hun bekostiging schiet hiervoor eigenlijk tekort. Steriele instrumenten bijvoorbeeld: die krijgen ze niet betaald.

Als je dit gaat invoeren, moet je wel voor goede scholing zorgen. En je moet afspraken hebben met ziekenhuizen in de buurt voor het geval er ’s avonds of ’s nachts opvang nodig is. In het algemeen zal de kwaliteit er niet op vooruit gaan, denk ik. De bedoeling is natuurlijk dat die ingrepen goedkoper worden, maar of dat lukt? De huisarts moet ook een infrastructuur opzetten. Je ziet een golfbeweging: er zijn nu veel minder en veel grootschaliger ziekenhuizen dan twintig jaar geleden, en nu gaan we weer de andere kant op. In andere landen, zoals Duitsland, zie je dit ook wel. Daar doen specialisten kleine verrichtingen en diagnostiek in een eigen praktijkje. Bij ons zou dat een hoge druk op de huisarts leggen. In elk geval zou je zoiets eerst als proef moeten aanpakken en dan kijken of het werkt.”

Patricia Bloem, huisarts in Leiden: “Het lijkt mij leuk en interessant om te doen. Maar je moet wel voldoende kennis en kunde in huis hebben en je afvragen of het verantwoord is. Er zijn nu ook al huisartsen die meer dergelijke ingrepen doen dan anderen. Een spiraaltje zetten bijvoorbeeld, dat doet niet iedereen. Er moet ook een back-up zijn, voor het geval er iets misgaat.”  Top

Vitaliteit en veroudering

Per 1 april heeft de Leyden Academy on Vitality and Ageing een nieuwe directeur: Marieke van der Waal. Zij werkte eerder als directeur van de Nederlandse Public Health Federatie (NPHF) en bij het College voor Beroepen en Opleidingen in de Gezondheidszorg (CBOG). “Bij het cbog werkte ik onder andere aan het moderniseren van medische vervolgopleidingen, als coördinator van het invivo-project”, vertelt ze. Interessante kennis voor het LUMC,maar haar eerdere baan bij de NPHF raakt nog meer aan haar nieuwe functie. “De NPHF richt zich namelijk op een goede volksgezondheid, dus ook op de gezondheid van ouderen en hun deelname aan de maatschappij.”

Van oorsprong is Van der Waal voedingskundige, ze studeerde in Wageningen. Wat zijn haar toekomstplannen? “Ik zal me bezighouden met onze Executive leergang voor bestuurders en managers in de zorg en verder met de beheersmatige aspecten van de mastersopleiding Vitality and Ageing die in september start, de promotieplaatsen en de Young Excellence Class”, antwoordt ze. Bij dat laatste gaat het om ouderejaars studenten Geneeskunde met een interesse in ouderen. Zij nemen deel aan de tweewekelijkse avondbijeenkomsten van prof. dr. Rudi Westendorp (Ouderengeneeskunde), die haar collega–directeur is. “Naast die dagelijkse zaken wil ik bij ‘beslissers’ – dus politici en beleidsmakers – aandacht en financiering vragen voor vitaliteit en veroudering. Dat past ook bij onze doelstelling en die van onze aandeelhouder, de Vereniging aegon. Het zou goed zijn als dit bijdraagt aan een beter imago van professionals die in de zorg voor ouderen werken.” (DdV)     

Top

Een eigen vakgebied

Per 1 april is Jeanine Houwing-Duistermaat (Medische Statistiek) benoemd tot hoogleraar Genetische Statistiek. De 41-jarige wiskundige promoveerde in Leiden en werkt sinds 2003 in het LUMC. Bijna vijf jaar geleden haalde Houwing een vidi-subsidie binnen, waarmee ze een eigen onderzoeksgroep kon starten. Gaat het om een nieuwe leerstoel? “Ja, en die is in het leven geroepen omdat de grote cohorten van families waarover steeds meer informatie beschikbaar is, om nieuwe statistische methodes vragen”, legt ze uit. “De genetische statistiek is echt een eigen vakgebied geworden, waarbinnen familiestructuren en de structuur van het genoom een uitdaging vormen.” In het LUMCgaat het bij die cohorten bijvoorbeeld om de Leiden Longevity Study, die families volgt waarin heel oud worden geen uitzondering is, en de Leiden 85+ Studie. “De hoeveelheid data wordt steeds groter: whole genome sequencing brengt het hele genoom van een individu in kaart, en biologische gegevens zoals eiwitten en lipiden worden nu ook meegenomen in de analyses.” Naast het ontwikkelen van statistische methoden voor dit soort onderzoek houdt Houwing zich ook bezig met onderwijs. “Met Moleculaire Epidemiologie verzorgen we al een cursus, en daar komt binnenkort nog een nieuwe Master Plus-cursus voor geneeskundestudenten bij.” Daarnaast geeft ze ook onderwijs bij de masters Statistical Science in Leiden en Biostatistiek in Hasselt, België. (DdV)           

Top

Pia Douwes bij Onderwijsprijzen

Musicalster Pia Douwes schitterde in musicals op Broadway, West End en op vele andere toplocaties. Maar op woensdag 9 juni schittert ze heel dichtbij: in onze eigen Burumazaal. Daar zal ze meerdere nummers zingen ter gelegenheid van een ander topevenement: de jaarlijkse uitreiking van de Onderwijsprijzen. De Raad van Bestuur zal een Student Research Awards toekennen aan een student Geneeskunde, en aan een student Biomedische Wetenschappen. De Medische Faculteit der Leidse Studenten (M.L.F.S.) zal op haar beurt de prof. dr. G.J. Tammeling- prijs toekennen aan de beste docent van het LUMC, en ook nog prijzen voor het beste co-schap en het beste onderwijsblok bij Geneeskunde en Biomedische Wetenschappen. M.L.F.S.-voorzitter Banne Németh en LUMCStudent Research Award-juryvoorzitter prof. dr. Jan Anthonie Bruijn zullen de bijeenkomst presenteren. Nog steeds niet overtuigd om te komen? Dan wist u vast nog niet dat The Band Formally Known as Archie & The Bunkers de uitreiking muzikaal zal ondersteunen. Deze grote swingband, ooit begonnen door Delftse oud-studenten, speelt nummers van onder andere Fats Domino en The Blues Brothers. U bent van harte welkom op 9 juni, aanvang 16 uur. (DdV)  Top

In de prijzen

Dermatoloog dr. Remco van Doorn heeft een Young Investigator Award ontvangen van de Melanoma Research Alliance (mra). Aan de award is een bedrag van 100.000 dollar verbonden, dat hij kan besteden aan zijn onderzoek. Van Doorn wil achterhalen welke genen afwijkende dna-methylatie vertonen bij agressieve melanomen.

Tijdens de voorjaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Gentherapie op 12 maart heeft dr. Daniël Pijnappels (Hartziekten) de Greiner award ontvangen voor zijn proefschrift. Op 9 april kreeg Pijnappels tijdens het voorjaarscongres van de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie ook de Einthoven dissertatieprijs voor het beste proefschrift op het gebied van gentherapie en cardiovasculair onderzoek van 2009.

Op 29 april werd prof. dr. Gert-Jan van Ommen (Humane Genetica) benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. De burgemeester van zijn woonplaats Amsterdam speldde hem het lintje op als waardering voor zijn wetenschappelijke verdiensten en inzet op het gebied van het humane genoom en Duchenne spierdystrofie. Van Ommen werkt onder andere aan een therapie voor deze ziekte.

De Raad van Bestuur van het LUMC heeft prof. dr. Rudi Westendorp de LUMC-premie toegekend. Deze eervolle gratificatie komt toe aan medewerkers die een unieke prestatie hebben geleverd op het gebied van een of meer van de kerntaken van het LUMC. Westendorp wordt geroemd om zijn zeer uitzonderlijke verdiensten voor de ontwikkeling van de Ouderengeneeskunde.

Op 7 mei werd prof. dr. Annemiek Richters (Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde) benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Zij kreeg deze onderscheiding vanwege haar verdiensten op het terrein van de gezondheidszorg en het onderwijs. Richters zette zich in voor een culturele en sociale benadering van de gezondheidszorg, vooral voor vrouwen. Ook was zij actief in ontwikkelingssamenwerking, met name de zorg voor oorlogslachtoffers. Om die reden was zij ook niet aanwezig bij de lintjesregen op 29 april – ze zat toen in Rwanda.

Top

Niet te grillig

De manier waarop de genetische informatie in onze cellen verpakt zit is een stuk constanter dan gedacht. Dat biedt onverwachte perspectieven om de rol van die verpakking bij veelvoorkomende ziekten op te helderen, schrijven onderzoekers van het LUMCen de vu in The Faseb Journal (16 april online). Het vakgebied dat zich met de verpakking van het dna bezighoudt is de epigenetica. “Het dna levert het woordenboek, de genen; de epigenetica bepaalt welke woorden gebruikt worden en hoe vaak”, legt dr. Bas Heijmans (Moleculaire Epidemiologie) uit. “Als een gen strak is ‘ingepakt’, kan de afleesapparatuur van de cel er niet bij. Zo regelt het lichaam bijvoorbeeld dat een bepaald gen actief is in de hersenen maar niet in het hart.”

Omgevingsomstandigheden kunnen epigenetische informatie wijzigen. Zo toonden de LUMC-onderzoekers eerder aan dat ondervoeding tijdens de zwangerschap als gevolg van de Hongerwinter leidt tot blijvende epigenetische veranderingen. (zie Cicero 13, 2008). Heijmans: “Heel wat wetenschappers vreesden dat epigenetische informatie veel te grillig was om er onderzoek aan te kunnen doen. Onze resultaten laten zien dat dat niet zo is.”

De onderzoekers vergeleken cellen uit het bloed en het wangslijm die twintig jaar geleden bij proefpersonen waren afgenomen met die van nu. De epigenetische informatie bleek in die tijd opvallend weinig veranderd te zijn. Bovendien waren er meer overeenkomsten tussen de beide celtypen dan gedacht. “Vaak kun je alleen een bloedmonster onderzoeken, terwijl de ziekte zich bijvoorbeeld in het hart afspeelt. Dan moet dat bloedmonster je iets kunnen vertellen over epigenetische informatie in het hart”, aldus eerste auteur van het artikel Rudolf Talens (Moleculaire Epidemiologie). Heijmans: “Onder normale omstandigheden is epigenetische informatie dus vrij constant. Maar we weten dat bepaalde medicijnen en voeding epigenetische informatie kunnen beïnvloeden. Uiteindelijk hopen we in dit vakgebied epigenetische fouten op te kunnen sporen en daarna te repareren.”

Onderzoek naar epigenetica staat steeds meer in de belangstelling. Het groots opgezette Human Epigenome Project is bezig het hele epigenoom (alle epigenetische informatie) van de mens in kaart te brengen. “We denken dat epigenetica een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van bepaalde ziektes”, zegt Heijmans. “Het LUMCis goed in genetisch onderzoek en dat willen we nu ook weer worden met epigenetisch onderzoek.” Hartstichtings-aio Talens onderzoekt nu samen met de afdeling Hartziekten of patiënten met een hartinfarct andere epigenetische kenmerken hebben dan gezonde mensen. (RH)     

Onderzoekers Bas Heijmans (l) en Rudolf Talens

Top

Digitaal publiceren

Als ergens de ontwikkelingen snel gaan, dan is dat wel op het gebied van het wetenschappelijke uitgeven. Met een sneltreinvaart zijn de uitgevers het digitale tijdperk binnengetreden. Zo is na de komst van het world wide web een nieuwe vorm van uitgeven ontstaan: open access. Wetenschappelijke publicaties worden in een aantal tijdschriften veelal gratis en zonder beperkingen online aangeboden. De impact van open access is groot en biedt zowel de bibliotheken als auteurs en lezers nieuwe mogelijkheden. Zo is het raadplegen van open access artikelen voor iedereen gratis. Het publiceren van wetenschappelijke publicaties zal in de meeste gevallen geld blijven kosten.

Een interessante ontwikkeling, maar de vraag is of open access-publicaties van hetzelfde niveau zijn als reguliere publicaties. Wat gebeurt er met de peer review, waarbij collega- wetenschappers elkaars artikelen ‘blind’ beoordelen?

Over onder andere dit thema wordt in het LUMCbinnenkort volop gediscussieerd tijdens de Third European Conference on Scientific Publishing in Biomedicine and Medicine. Andere thema’s die aan bod komen zijn de impact van wetenschap en translationele geneeskunde. Worden onderzoeksresultaten ook omgezet naar de praktijk, dus van bench naar bedside? Merkt de patiënt uiteindelijk de impact van de wetenschap?

Han Belt, hoofd van de Walaeus Bibliotheek, is trots dat zijn bibliotheek dit prestigieuze congres mag organiseren. Het congres vindt plaats van 27 tot en met 29 mei. “De sprekers op dit congres zijn divers en komen van overal uit Europa. Er zitten heel grote namen tussen, bijvoorbeeld de hoofduitgever van de British Medical Journal.” Het congres is interessant voor een breed publiek, van artsen en onderzoekers tot bibliothecarissen. Zo kunnen studenten Biomedische Wetenschappen lezingen van het congres volgen in het kader van hun studie. U vindt meer informatie op www.lumc.nl/ecsp. Wie onverhoopt toch niet aanwezig kan zijn, leest in de volgende Cicero een verslag. (CW)  

Top

Slaap, suiker en de spuit

Eén nachtje te weinig slapen heeft al gevolgen voor de suikerstofwisseling, zo blijkt uit onderzoek van de afdeling Endocrinologie. Het lichaam is dan tijdelijk minder gevoelig voor insuline; het eiwit dat voor een gelijkmatige suikerspiegel in het bloed moet zorgen. Vooral voor diabetespatiënten reden om toch maar te zorgen voor genoeg uurtjes in bed – en mocht dat onverhoopt niet lukken, misschien de volgende dag wat meer insuline te spuiten.

door Diana de Veld - foto Marc de Haan

Niet elke nacht duurt zo lang als gehoopt. Een dorstige baby of een feestje bij de buren kan roet in het eten gooien, en dat geldt ook voor gepieker, gesnotter, gezweet en geril. Op zich geen ramp: morgen weer een nieuwe kans op de gewenste zeven tot negen uurtjes slaap. Ja, jammer dat je vandaag wat meer zult gapen en misschien wat minder scherp bent, maar daar blijft het dan wel bij. Toch?

Gevolgen voor veel mensen

Dat valt te bezien, zegt prof. dr. Hans Romijn (Endocrinologie). “Al in 1999 beschreef Eve van Cauter uit Chicago in The Lancet dat een korte nachtrust sterke effecten heeft op de glucosestofwisseling. Als gezonde jonge mannen meerdere nachten weinig geslapen hebben, dan beginnen ze te lijken op patiënten met type 2 diabetes. Na een maaltijd stijgt de hoeveelheid glucose in het bloed – de bloedsuikerwaarde - meer dan normaal.” Op de lange termijn is een hoge bloedsuikerwaarde schadelijk voor de bloedvaten, er ontstaat namelijk eerder aderverkalking, en voor bijvoorbeeld de ogen. Daarom krijgen patiënten met diabetes vaker een hartinfarct en kunnen ze slechtziend worden. “Wij vroegen ons daarom af: zijn die effecten op de glucosehuishouding er ook als je maar één nachtje te weinig slaapt? Want dat komt veel vaker voor, en zou dus voor veel meer mensen gevolgen kunnen hebben.”

Onverstandig

Met een subsidie van het Diabetes Fonds onderzocht Esther Donga, promovendus bij Romijn, de effecten van een nacht slaaptekort op de insulinegevoeligheid bij gezonde vrijwilligers. “We lieten negen slanke vrijwilligers drie nachten slapen in onze slaapkliniek, met telkens minimaal drie weken ertussen”, vertelt Romijn. “In principe mochten ze slapen van 23:00 tot 7:30 uur, maar de tweede of derde nacht mochten ze maar vier uur slapen: van 1:00 tot 5:00 uur.” De volgende dag kregen ze via een infuus zowel insuline als glucose toegediend, waarbij de bloedsuikerwaarde constant werd gehouden. “Hoeveel glucose je kunt toedienen, is dan een maat voor de insulinegevoeligheid van de weefsels in iemands lichaam”, legt Romijn uit. De resultaten waren verbazend: de insulinegevoeligheid was na slechts één nacht met slaapgebrek 20 tot 25 procent lager geworden. “Dat geldt voor zowel het vet als de lever en waarschijnlijk ook voor spieren.”

Zou dat effect ook bestaan bij patiënten met diabetes, vroegen de onderzoekers zich af. “In Nederland zijn er 80.000 patiënten met type 1 diabetes die insuline moeten spuiten”, weet Romijn. “Voor hen zijn zulke effecten nog veel relevanter.” Dus ondergingen zeven patiënten hetzelfde studieregime als de gezonde vrijwilligers. En ja: de effecten waren vergelijkbaar. “Dat heeft praktische consequenties”, aldus Romijn. “Patiënten met diabetes moeten er rekening mee houden dat ze na een korte nachtrust misschien meer insuline moeten spuiten na de maaltijd. En verder is het zeker voor deze groep onverstandig om vaak te weinig te slapen.”

Geluid tijdens de slaap

Over het waarom van de verminderde insulinegevoeligheid na een korte nachtrust, is nog weinig bekend. “Het lijkt hem niet te zitten in hormoonspiegels in het bloed”, zegt Romijn. “Waarschijnlijk speelt een veranderde activiteit van het autonome zenuwstelsel een rol – er zijn aanwijzingen dat het sympathische zenuwstelsel actiever is na een korte nachtrust. Helaas is dit moeilijk te meten, zowel bij mensen als bij proefdieren.”

De bevindingen roepen wel een aantal vragen op. Zou chronisch slaaptekort bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan de epidemie van type 2 diabetes? En hoe zit het met ouderen, een groep die vaak aan slaapstoornissen lijdt én veel last heeft van diabetes? “Interessante materie, maar er kan op dit moment alleen nog maar gespeculeerd worden”, zegt Romijn. Vervolgstudies zijn dus hard nodig. “We gaan nu eerst kijken of de slaapkwaliteit ook invloed heeft op de insulinegevoeligheid, en wel door geluid aan te bieden tijdens vijf verschillende stadia van de slaap.”     

"De insulinegevoeligheid was na slechts één nacht met slaapgebrek 20 tot 25 procent lager"

Top

Voor het goede doel

Bontius Stichting werft fondsen voor Leids onderzoek

Door Diana de Veld - foto Arno Massee

Twee jaar terug zag de Bontius Stichting, genoemd naar de allereerste Leidse hoogleraar Geneeskunde, het licht. Doel van de stichting is om fondsen te werven voor onderzoek van het LUMC. Is dat nodig? “Voor onderzoek is altijd geld nodig”, zegt mr. Morris Tabaksblat. De oud-topman uit het bedrijfsleven was eerder voorzitter van de Raad van Toezicht van het LUMCen van de Universiteit Leiden. Tegenwoordig is hij, op 72-jarige leeftijd, voorzitter van de Bontius Stichting. “De overheid en andere instellingen verstrekken subsidies, maar er zijn altijd goede ideeën die niet uitgevoerd kunnen worden omdat het geld ervoor ontbreekt”, vervolgt hij. “We moeten dus andere kanalen aanboren om tegemoet te komen aan de ambitie van het LUMCals onderzoeksgerichte instelling.”

Bontius Diner

Private funding is er altijd al geweest, vertelt Tabaksblat. “Maar het had binnen de organisatie een lage prioriteit. Om meer geld te krijgen van particulieren en instellingen moeten we de fondsenwerving een slag verder brengen.” De Bontius Stichting heeft daarbij twee taken: fondsen binnenkrijgen en fondsen beheren. “Tot nu toe was de fondsenwerving in het LUMCdecentraal georganiseerd, en het enthousiasme varieerde nogal tussen de afdelingen. Met als resultaat dat het totaalbedrag per jaar vrij laag was.” De bestaande fondsen in het LUMC– dat zijn er een stuk of twaalf – blijven gewoon bestaan, maar de Bontius Stichting coördineert ze en beheert ze centraal. “Professionals zoals banken en beleggingsexperts helpen ons om het geld te laten groeien”, legt de voorzitter uit. Is dat niet riskant, beleggen met fondsen? “Een risico is er altijd – óók als je het geld op de bank zet. Maar we houden dat risico zo klein mogelijk.”

Naast het beheren en coördineren van bestaande fondsen initieert de Bontius Stichting ook nieuwe fondsenwerving. “Dat komt er dus bovenop.” Op dit moment is de Stichting druk bezig met het opbouwen van naamsbekendheid en met het opzetten van activiteiten. Op 8 maart vond de eerste activiteit plaats: het Bontius Diner. “Die avond stond in het kader van een met zorg uitgezocht onderzoeksproject op het gebied van diabetes. De genodigden waren instellingen en vermogende mensen, van wie wij wisten dat ze in deze ziekte geïnteresseerd waren – bijvoorbeeld omdat ze zelf diabetes hebben, of omdat een familielid aan de ziekte lijdt.”

Niet leuren

De aanpak was origineel: de onderzoekers zelf – dr. Eelco de Koning, prof. Ton Rabelink en prof. Christine Mummery – gaven enthousiast uitleg over hun onderzoek. Ze vertelden wat ze ermee wilden bereiken, hoe ze dat voor elkaar hoopten te krijgen en welke middelen ze daarvoor nodig hadden. Vervolgens mochten de genodigden mee met dr. Martin Engelse (Nierziekten) en zijn team naar de onderzoekslaboratoria, zodat ze met eigen ogen konden zien hoe onderzoekers in het LUMCwerken. Ten slotte volgde een bijzonder diner in het LUMC-restaurant. “De avond was opmerkelijk succesvol”, blikt Tabaksblat tevreden terug. “De aanwezigen hebben in totaal een bedrag van 1,4 miljoen euro toegezegd – precies wat we nodig hadden. Ik had eerlijk gezegd niet verwacht dat dat in één avond zou lukken.”

Snel verdiend dus? “Nou, er is wel veel aan vooraf gegaan”, nuanceert Tabaksblat. “De onderzoekers en de Bontius Stichting hebben veel tijd gestoken in het voorwerk. Maar dat deze aanpak zo succesvol was, geeft ons een reden om door te gaan op deze weg. Kijk, je kunt fondsen werven op vele manieren: met collectes, gala’s, tv-programma’s… Wij kiezen ervoor om het enthousiasme van de onderzoekers zelf in te zetten. Die methode wordt niet vaak toegepast, maar past wel bij het karakter van het LUMC: serieus en open, en gespecialiseerd in hoogwaardig onderzoek.”

De Bontius Stichting beperkt zich niet tot zulke ‘grote gevers’ als bij het Diner. “Kleine giften zijn ook belangrijk, om die binnen te halen doen we weer andere dingen.” Zo liggen er brochures over de stichting op de afdelingen en zijn er video’s gemaakt. Maar de eigen medewerkers blijven de beste ambassadeurs, vindt Tabaksblat. “Niets is zo inspirerend als de mensen die er zelf mee bezig zijn. Het is niet de bedoeling om te gaan leuren, maar als een patiënt bijvoorbeeld laat blijken dat hij ‘wel eens iets terug zou willen doen’, dan kun je hem wijzen op deze mogelijkheid.”

Veelbelovende thema’s

Fondsen werven is geen bedelen, benadrukt hij. “Je doet het niet voor jezelf, maar voor het goede doel. Bovendien wíllen mensen graag geven en zijn ze blij als je een hen aansprekende mogelijkheid biedt.” In Nederland is de charitatieve sector aardig ontwikkeld, vindt Tabaksblat. “Maar het gaat vooral om liefdadigheid. Onderzoek wordt vaak gezien als een taak van de overheid.”

De Bontius Stichting wil daar verandering in brengen. “We starten nu met de zoektocht naar een nieuw onderzoeksthema, we hebben de Raad van Bestuur om voorstellen gevraagd – wat zijn de veelbelovende thema’s? We hopen dan weer iets dergelijks te gaan organiseren.” Dus het Bontius Diner wordt een jaarlijks terugkerende bijeenkomst? “Nee, dat vind ik beperkend. Het kan vast vaker. Al kost het wel tijd, ook voor de onderzoekers – en er moet natuurlijk ook nog onderzoek gedaan worden…”     

Om meer geld te krijgen van particulieren en instellingen moeten we de fondsenwerving een slag verder brengen

Mr. Morris Tabaksblat in zijn werkkamer

“De donateurs zijn nu echt onderdeel van dit project”

Prof. dr. Ton Rabelink (Nierziekten) was een van de onderzoekers die meewerkten aan het Bontius Diner. Waar is het geld precies voor bestemd? “Voor het genezen van diabetes”, antwoordt hij. “Patiënten die door de complicaties van diabetes een niertransplantatie moeten ondergaan, kunnen tegelijk ook een nieuwe alvleesklier krijgen. Die maakt insuline aan en de patiënt is genezen.” Probleem is het tekort aan donororganen. “Daarom ontwikkelde dr. Eelco de Koning de eilandjestransplantatie, waarbij alleen de insuline-producerende eilandjes overgeplaatst worden. Zo kun je meer patiënten helpen met één alvleesklier.” Toch gaat het nog steeds om maar een stuk of tien patiënten per jaar in het LUMC. “Daarom willen we nu de stamcellen die in de afvoerbuisjes van de alvleesklier zitten – restmateriaal dat gewoon de prullenbak in gaat - óók gaan gebruiken.” Dat is makkelijker gezegd dan gedaan: die stamcellen moeten eerst geïsoleerd en opgekweekt worden, en ook nog op een veilige manier in het lichaam terechtkomen. “Met de 1,4 miljoen euro opbrengst hopen we zover te komen.”

Rabelink was de hoofdverantwoordelijke voor het contact leggen met vermogende geïnteresseerden. “Dat vond ik best ingewikkeld. Het heeft me een jaar gekost om dat op een discrete manier te doen. Maar uiteindelijk ontstond een netwerkje van mensen ‘die je mag opbellen.’ En de mensen die doneerden zijn nu echt onderdeel van dit project. Dat is voor ons als onderzoekers ook heel bevredigend: zij kiezen voor óns ziekenhuis en voor óns onderzoek. Het is heel leuk om dat mee te maken.”

Wij kiezen ervoor om het enthousiasme van de onderzoekers zelf in te zetten

Snel verdiend dus? “Nou, er is wel veel aan vooraf gegaan”, nuanceert Tabaksblat. “De onderzoekers en de Bontius Stichting hebben veel tijd gestoken in het voorwerk. Maar dat deze aanpak zo succesvol was, geeft ons een reden om door te gaan op deze weg. Kijk, je kunt fondsen werven op vele manieren: met collectes, gala’s, tv-programma’s… Wij kiezen ervoor om het enthousiasme van de onderzoekers zelf in te zetten. Die methode wordt niet vaak toegepast, maar past wel bij het karakter van het LUMC: serieus en open, en gespecialiseerd in hoogwaardig onderzoek.”

De Bontius Stichting beperkt zich niet tot zulke ‘grote gevers’ als bij het Diner. “Kleine giften zijn ook belangrijk, om die binnen te halen doen we weer andere dingen.” Zo liggen er brochures over de stichting op de afdelingen en zijn er video’s gemaakt. Maar de eigen medewerkers blijven de beste ambassadeurs, vindt Tabaksblat. “Niets is zo inspirerend als de mensen die er zelf mee bezig zijn. Het is niet de bedoeling om te gaan leuren, maar als een patiënt bijvoorbeeld laat blijken dat hij ‘wel eens iets terug zou willen doen’, dan kun je hem wijzen op deze mogelijkheid.”

Veelbelovende thema’s

Fondsen werven is geen bedelen, benadrukt hij. “Je doet het niet voor jezelf, maar voor het goede doel. Bovendien wíllen mensen graag geven en zijn ze blij als je een hen aansprekende mogelijkheid biedt.” In Nederland is de charitatieve sector aardig ontwikkeld, vindt Tabaksblat. “Maar het gaat vooral om liefdadigheid. Onderzoek wordt vaak gezien als een taak van de overheid.”

De Bontius Stichting wil daar verandering in brengen. “We starten nu met de zoektocht naar een nieuw onderzoeksthema, we hebben de Raad van Bestuur om voorstellen gevraagd – wat zijn de veelbelovende thema’s? We hopen dan weer iets dergelijks te gaan organiseren.” Dus het Bontius Diner wordt een jaarlijks terugkerende bijeenkomst? “Nee, dat vind ik beperkend. Het kan vast vaker. Al kost het wel tijd, ook voor de onderzoekers – en er moet natuurlijk ook nog onderzoek gedaan worden…” 

Top

Meer dan mooie plaatjes

Als er problemen met het hart zijn, dan wil de cardioloog dat hart meestal in beeld brengen. Zo kan hij zien wat er aan de bloedpomp schort, een eventuele reparatie plannen en uitvoeren en achteraf het succes ervan beoordelen. Op 15 april promoveerde Laurens Tops cum laude op een dik proefschrift, waarin hij laat zien hoe cardiologen van beelden kunnen profiteren.
Door Willy van Strien - foto Marc de Haan

De meeste hoofdstukken van het proefschrift van Laurens Tops zijn in tijdschriften verschenen. En dat waren zeker niet de enige publicaties van Hartziekten de laatste jaren: de wetenschappelijke productie van de afdeling is opvallend hoog. Volgens prof. dr. Jeroen Bax, één van de promotoren van Tops, komt dat omdat zijn afdeling er bijzonder op is gespitst om de beeldvorming in de kliniek toe te passen. “Het gaat ons niet om de mooie plaatjes op zich, maar om het goed gebruiken daarvan”, zegt hij. “Daarnaast hebben we het nieuwste van het nieuwste in huis qua apparatuur. Wat ook helpt: van alle patiënten maken we op een systematische manier beelden die we opslaan. Uit het databestand dat zo is gegroeid kunnen onderzoekers gegevens over een bepaalde groep patiënten opvragen en analyseren.”

Het hart pompt krachtig als de twee boezems zich tegelijk en in één beweging samentrekken en de kamers vervolgens ook. Een elektrische prikkel die over boezem- en kamerwanden loopt zet de hartspier daartoe aan. Soms hapert die prikkel en raakt het hartritme verstoord. Bij een van de meest voorkomende hartritmestoornissen maakt de linkerboezem een chaotische beweging, waarna ook de rechterboezem het goede ritme verliest. De slagkracht waarmee beide boezems bloed naar de kamers pompen is dan verzwakt. “De oorzaak ligt vaak op de plaats waar de vier longaders die zuurstofrijk bloed vanuit de longen aanvoeren de linkerboezem binnenkomen”, vertelt Tops. “Op de grens van de aders en de hartwand kan kortsluiting ontstaan.”

Complicaties

Als medicijnen dit niet verhelpen, kan de arts via een liesader een katheter in het hart brengen en daarmee het weefsel rondom de longaders wegbranden. Daar ontstaat littekenweefsel dat de aders van de hartwand isoleert en de kortsluiting kan opheffen. De ingreep is bij bijna driekwart van de patiënten succesvol. Ook tijdens deze ingreep is goed zicht essentieel. Tot voor kort maakten cardiologen vóór de behandeling een gedetailleerd driedimensionaal plaatje, een multi-slice computed tomography (msct-scan). Maar tijdens de ingreep moesten ze het doen met een globaal beeld dat ze kregen door met de katheter eerst van enkele punten de plaats op te meten en vast te leggen. Tegenwoordig is er software die het ruwe katheterbeeld en de ct-scan realtime integreert tot een mooi driedimensionaal beeld. “Daarmee kun je het gedetailleerde, van tevoren gemaakte beeld tijdens de behandeling gebruiken”, zegt Tops. Hij heeft deze combinatie van beeldtechnieken als eerste toegepast en beschreven. “Als cardioloog in opleiding mocht ik de ingreep zelf niet doen, maar ik bediende de computer.” De cardiologen die de katheter hanteerden waren tevreden: dankzij het mooiere beeld konden ze tot op twee millimeter nauwkeurig werken en verliep de ingreep sneller en makkelijker. Elders is vastgesteld dat het

Dankzij het betere beeld kunnen we tot op twee millimeter nauwkeurig werken succespercentage dankzij het gecombineerde beeld stijgt, terwijl de kans op complicaties afneemt.

Dr. Laurens Tops voor wat ‘plaatjes’ van het hart

Grotere pacemaker

Bij een andere veelvoorkomende ritmestoornis heeft het hart de neiging om traag te kloppen. Een pacemaker in de rechterkamer kan een prikkel afgeven die beide kamers tegelijk activeert. Maar ongeveer de helft van de mensen die een aantal jaren zo’n pacemaker draagt krijgt klachten doordat de linkerkamer, die zuurstofrijk bloed via de aorta het lichaam inpompt, slechter gaat functioneren. De vraag was wat er bij hen precies gebeurt.

Tops liet dat zien. Uit het gegevensbestand van Hartziekten haalde hij echobeelden van mensen met een pacemaker in de rechterkamer, overigens om een andere reden. Tops analyseerde die beelden met nieuwe methoden en ontdekte dat bij ongeveer de helft van deze mensen de rechterkamer en linkerkamer niet tegelijk pompten en dat de ene plek van de linkerkamer zich eerder samentrok dan de andere plek. Oftewel: de synchronie was verloren gegaan. Dát waren precies de mensen bij wie de linkerkamer niet goed functioneerde. De synchronie kwam terug bij patiënten die vervolgens een pacemaker kregen die rechter- én linkerkamer bediende, liet Tops ook zien. Zo’n grotere pacemaker is eigenlijk niet bedoeld voor patiënten met ritmestoornissen maar voor mensen met hartfalen, bij wie de hartspier in slechte conditie is.

Kapotte kleppen

Hij analyseerde ook de opgeslagen gegevens van een andere groep patiënten, namelijk mensen die een elektrofysiologisch onderzoek hadden ondergaan. Daarbij prikkelen artsen het hart op verschillende plaatsen om de geleiding te meten, en ze prikkelen dan ook tijdelijk de rechterkamer. Bij ruim een derde van deze mensen liep de linkerkamer dan al meteen uit de pas. Krijgen nu voortaan alle patiënten met een traag hartritme meteen een ‘hartfalenpacemaker’, om problemen met de linkerkamer te voorkomen? “Nee, want zo’n grotere pacemaker is moeilijker in te brengen en het risico op complicaties is hoger”, zegt Tops. “Bovendien vereist hij een grotere batterij die minder lang meegaat en is hij duurder.”

Kapotte kleppen vormen de derde groep aandoeningen die Tops beschrijft. De hartpomp werkt slecht als die kleppen niet in orde zijn. “De laatste paar jaar kunnen cardiologen kleppen repareren met een katheter die ze via een ader inbrengen”, zegt Tops. In Leiden vervangen cardiologen de aortaklep – tussen linkerkamer en aorta – bij mensen bij wie die klep door verkalking is dichtgeslibd en te weinig bloed doorlaat. Ze doen dat in principe tijdens een openhartoperatie, maar als patiënten in slechte conditie zijn gaat het via een katheter. De procedure lijkt op de behandeling van een kransslagadervernauwing: de arts blaast de dichtgeslibde plek op en plaatst een stent om het vat open te houden. In dit geval is die voorzien van een klep.

Kransslagaders

Met msct-scans die om andere redenen waren gemaakt, kon Tops in detail de anatomie van de aortaklep en het begin van de aorta bestuderen. Een goed beeld daarvan is belangrijk om te bepalen hoe groot een stent moet zijn en waar de kransslagaders, die het hart zelf van bloed voorzien, ontspringen. Als dat vlak boven de klep is, bestaat de kans dat er kalk in schiet bij het opblazen of dat de stent ze afsluit. Er bleek tussen mensen een grote variatie in aorta-anatomie te bestaan, en bij veel mensen ontspringen de kransslagaders inderdaad vlak boven de aortaklep. “Dat is dan goed om te weten en rekening mee te houden”, zegt Tops. “Dankzij beeldvormende technieken kunnen ingrepen makkelijker en beter worden uitgevoerd.” 

De helft van de mensen met een pacemaker in de rechterkamer krijgt na een aantal jaren problemen met de linkerkamer

Top

Meer levers, minder leverziekten

In zijn oratie In en om de lever legt hepatoloog (‘leverarts’) Bart van Hoek twee uitdagingen neer voor een nieuw kabinet: de gehele bevolking inenten tegen hepatitis B; en iedereen orgaandonor laten zijn, behalve wie aangeeft dat echt niet te willen. “Eigenlijk komt dat neer op het verminderen van de noodzaak tot levertransplantaties, én het vergroten van het aanbod van donorlevers.”

tekst en tekening Jan Hein van Dierendonck

“Het is ondubbelzinnig aangetoond dat hepatitis B-vaccinatie werkt, en universele invoering werd al in 1992 door de Wereldgezondheidsorganisatie bepleit. Toch behoort Nederland tot de laatste drie landen van Europa waar men uitsluitend mikt op vaccinatie van risicogroepen”, verzucht prof. Bart van Hoek. “Drie procent van de nieuwe Nederlanders komt naar dit land met een hepatitis B-virus. Volwassenen weten zo’n infectie vaak wel te overwinnen, maar bij kleine kinderen wordt de infectie meestal chronisch en kan die tot levercirrose en levercelkanker leiden. Daarom heeft de Gezondheidsraad onlangs weer geadviseerd dit vaccin in het vaccinatieprogramma op te nemen. Op termijn zeer kosteneffectief.” Ook de actieve opsporing van infecties kan volgens Van Hoek beter. “Hepatitis B- en C-besmettingen worden nog steeds vaak pas ontdekt als er al sprake is van levercirrosecomplicaties. We geven er cursussen over, maar desondanks zijn huisartsen er onvoldoende van doordrongen dat het belangrijk is om bij bepaalde risicogroepen hepatitis B en C te bepalen.”

Verkeersveiligheid

Er zijn natuurlijk méér oorzaken van leverziekten. Zo kan de afweer zich tegen de eigen levercellen richten. Van Hoek: “Auto-immuunhepatitis behandelen we sinds de jaren zeventig met afweer- en ontstekingsremmers. Enkele maanden geleden hebben we een landelijke werkgroep opgericht om de ziekte beter te begrijpen en deze behandeling verder te verfijnen.” Ook overmatig alcoholgebruik en andere toxische stoffen (waaronder geneesmiddelen) kunnen de lever aantasten. Uiteindelijk ontstaat verlittekening (cirrose), wat gepaard gaat met verslechtering van de kwaliteit van leven. Men moet dan aan levertransplantatie gaan denken.

“Grotere verkeersveiligheid heeft het aantal gewone donoren - mensen die hersendood zijn - fors omlaag gebracht. Helaas overlijdt zo’n 15 procent van de patiënten vanwege de schaarste aan transplanteerbare levers. In landen als België en Oostenrijk is men donor, tenzij men aangeeft dat niet te willen. Daar zijn de wachtlijsten de helft van die in Nederland. De onaantastbaarheid van het lichaam staat voor mij voorop, maar ik vind het niet verkeerd als mensen een omgekeerde keuze maken. Reclamecampagnes sorteren namelijk nauwelijks effect. Mensen willen er gewoon niet over nadenken.”

Oude stadsgezichten

Van Hoek werd in 1956 geboren in Voorburg en verhuisde op zijn zevende naar Arnhem, waar zijn vader, een elektrotechnicus, directeur werd van de Samenwerkende ElektriciteitsBedrijven. “Een tijdje speelde het idee om de tu te gaan, maar in 5 Gym bedacht ik dat ik dokter wilde worden.” Hij ging in Groningen studeren, liep een tijdje mee bij Longzieken en Chirurgie en koos voor Interne Geneeskunde. In die tijd leerde hij daar en tijdens een wandeltrektocht in Noorwegen zijn vrouw kennen. Zij studeerde Spaans en kunstgeschiedenis. Van Hoek wijst op een foto waarin ze roeit in een skiff. “Een hartstochtelijk roeister. Sinds een paar jaar ben ik daar zelf ook weer fanatiek mee bezig. Vorige maand deden we mee met de Head of the River Amstel-race.”

Van Hoek herinnert zich een drukke tijd. Hij specialiseerde zich in de lever, met onderzoeksstages in Londen en Mainz, en promoveerde in 1989 op het volgen in de tijd van chronische leverontstekingen door auto-immuunreacties. Vervolgens ging hij werken op de transplantatieafdeling van de Mayo Clinic in het Amerikaanse Rochester, waar zijn dochter werd geboren. “We kregen heimwee naar familie, vrienden en oude stadsgezichten. Toen vroeg de Rotterdamse chirurg Onno Terpstra me om samen met hem een derde levertransplantatiecentrum op te zetten.” Omdat de beslissing waar dat moest komen langer duurde dan gepland, rondde Van Hoek eerst in Maastricht zijn opleiding tot gastro-enteroloog af. “Ik heb me daar bekwaamd in endoscopie, iets dat ik overigens nog altijd veel doe. Toen in 1992 duidelijk werd dat het levertransplantatiecentrum in Leiden kwam ben ik naar het LUMC verhuisd.”

Kwetsbare bloedvaatjes

Aanvankelijk was het een vrij klein team. “Na een jaar waren we goed op elkaar ingespeeld en werden de resultaten steeds beter.” Van Hoek wijst op een grafiek in een net verschenen artikel. “We zitten nu boven het Europese gemiddelde, maar het kan nog beter. Er wordt nu in Nederland veel samengewerkt. We lossen knelpunten op in het Landelijk Overleg Levertransplantatie en laten binnen Eurotransplant één geluid horen.” Belangrijk is het zoeken naar alternatieven voor gewone donoren. Omdat ‘levende donaties’ (rechterleverkwabtransplantaties) tussen volwassen familieleden niet zonder risico voor de donor zijn wordt, als alternatief, in Nederland sinds 2001 met succes gewerkt met transplantatielevers van donoren ‘zonder hartslag’. Die donorlevers moeten aan strenge criteria voldoen - waardoor al een kwart afvalt - en worden bij voorkeur binnen tien uur na overlijden getransplanteerd.

Drie procent van de nieuwe Nederlanders komt naar dit land met een hepatitis B-virus

“Wat we verder willen ontwikkelen is het  mechanisch doorspoelen van afgekeurde levers. Als je dat bij 20 °C doet kun je meten of zo’n lever nog functioneert en kun je deze met bepaalde stofjes - bijvoorbeeld remmers van enzymen betrokken bij de afbraak van bindweefsels - ‘oppeppen’. Amerikaans onderzoek heeft aangetoond dat zo’n oppepmethode met name schade aan  galwegen vermindert. Op de langere termijn moet nu tien procent van de levertransplantatiepatiënten opnieuw een lever krijgen en dat moet omlaag. De galwegen zijn omgeven door een netwerk van kwetsbare bloedvaatjes en het lijkt erop dat het gunstig is als je levers onder hoge druk doorspoelt voor je ze transplanteert.”

Natuurlijke afweer

Het probleem van chronische afstoting is door betere herkenning en medicijnen vrijwel onder controle, maar die anti-afstotingsmiddelen geven nog veel bijwerkingen. “We willen voorkomen dat patiënten na tien jaar aan de nierdialyse moeten. Promovendus Pieter Langers onderzoekt samen met de apotheek hoe je medicijnschema’s tijdig kunt aanpassen, en je kunt ook laaggedoseerde combinaties geven van verschillende middelen.”

De belangrijkste bijwerking is verhoogde gevoeligheid voor infecties. Medicamenteuze onderdrukking van het zogeheten ‘adaptieve afweersysteem’ vergroot de rol van het complementsysteem. Dat ‘natuurlijke afweersysteem’ wordt geactiveerd door lectines - moleculen die worden aangemaakt in de lever. Onder normale omstandigheden is het minder belangrijk en daardoor hebben zich binnen de menselijke populatie minder goed functionerende lectinevarianten opgehoopt. Ontvangers van een lever met die varianten zijn veel gevoeliger voor infecties.

“Deze onderzoekslijn staat onder leiding van dr. Hein Vespaget en mij. We hebben inmiddels in een grote groep patiënten bevestigd dat post-transplantatieinfecties inderdaad samenhangen met het lectineprofiel. Infecties zijn de belangrijkste doodsoorzaak bij transplantaties, dus het is zaak om van donoren te weten of er varianten in de lectines aanwezig zijn. Bert-Jan de Rooij heeft hiertoe een snelle detectiemethode ontwikkeld. De rol van de natuurlijke afweer bij levertransplantatie en leverziekten is een belangrijke onderzoekslijn in ons laboratorium geworden, waarbij we met andere afdelingen en centra samenwerken.”     

"De onaantastbaarheid van het lichaam staat bij orgaandonatie voorop, maar mensen kunnen best een omgekeerde keuze maken"

Top

Apneu: een nachtelijke aanslag op het lichaam

De gevolgen van slaapapneu kunnen ernstig zijn. Dankzij het speciale zorgpad voor slaapapneu gaat de behandeling sneller en is de samenwerking tussen specialisten intensiever.
Miljoenen Nederlanders snurken. Meestal vooral vervelend voor hun bedgenoot, maar zo’n veertig- tot zestigduizend snurkers hebben een groter probleem. Hun ademhaling stokt herhaaldelijk tijdens het slapen. Met alle gevolgen van dien.
Door Dick Duynhoven - foto’s Arno Massee

Zorg voor slaap

De gevolgen van apneu – uit het Grieks: a (niet) en pnoè (lucht) - variëren. Bijna alle patiënten, meestal mannen boven de veertig, hebben last van vermoeidheid overdag. “Maar dat is niet het ergste”, weet longarts en apneuspecialist dr. Klaas van Kralingen. “Als iemand op z’n veertigste naast slaapapneu ook overgewicht en een torenhoog cholesterol heeft, dan is een agressieve behandeling nodig om te voorkomen dat hij binnen tien jaar een hartaanval krijgt.”

Overgewicht

Het aantal ademstops per uur bepaalt de ernst. Tot vijf ademstops is nog normaal. Van Kralingen onderscheidt een lichte (maximaal vijftien ademstops per uur), matige, en ernstige (meer dan dertig) vorm van slaapapneu. De stops duren tien seconden of langer, waarna de patiënt met een luide snurk weer verder ademt. “Soms duurt een stop wel anderhalve minuut. Er gebeurt heel wat tijdens zo’n nacht: de polsslag gaat op en neer, het zuurstofgehalte kan geweldig zakken, de bloeddruk stijgt en zonder wakker te worden is het lichaam heftig aan het werk. Dat geeft op langere termijn allerlei problemen. Het hart heeft het zwaar, waardoor de hartspier dikker wordt; de bloedvaten verkalken sneller en daardoor krijgen deze patiënten vaker een hartaanval of beroerte.”

De oorzaken van slaapapneu zijn divers, maar er bestaat een sterk verband met overgewicht. Van Kralingen: “Ongeveer zeventig procent van de patiënten heeft overgewicht en een derde van de mensen met overgewicht heeft slaapapneu.” Daarnaast kunnen anatomische problemen als een kleine onderkaak, grote keelamandelen of neusverstopping bijdragen.

Zorgpad

De meeste patiënten kwamen tot voor kort eerst bij Van Kralingen terecht, op de polikliniek voor slaapproblemen. Zonodig verwees hij hen naar een kno-arts of andere specialisten. Vanwege de wachttijden op de verschillende poliklinieken duurde het soms maanden voordat diagnose en behandelplan compleet waren. Dat moest anders. “We wilden het sneller en we wilden het volgens de nieuwste medische richtlijn, die meer samenwerking tussen de verschillende specialisten voorschrijft. Met steun van de Raad van Bestuur van het LUMCis er nu een speciaal zorgpad waardoor een patiënt binnen twee weken weet waar hij aan toe is.”

De specialisten van het zorgpad houden elke woensdag een gezamenlijk spreekuur. Vooraf krijgt de patiënt een vragenlijst toegestuurd en tijdens de eerste afspraak onderzoeken longarts, kaakchirurg en kno-arts hem. Na afloop krijgt de patiënt apparatuur mee naar huis voor een slaaptest. Op de tweede afspraak, een week later, zijn alle gegevens verwerkt en ligt er een voorstel voor een behandeling door een of meer specialisten.

Behandeling

De longarts kan een ’s nachts te dragen masker voorschrijven, dat via de neus lucht naar binnen blaast. Dat houdt de ademweg open en voorkomt het snurken. De kno-arts kan een operatie uitvoeren, waarbij hij bijvoorbeeld de amandelen weghaalt. De kaakchirurg kan de patiënt een ‘bitje’ aanmeten voor ’s nachts. Dat is een beugel die wordt vastgeklikt op de tanden en waarmee de onderkaak automatisch naar voren schuift, zodat de luchtweg open blijft. Ook kan de kaakarts, in speciale gevallen, met een operatie de kaak meer naar voren plaatsen.

“Als dat nodig is komen ook andere specialisten bij het spreekuur”, zegt Van Kralingen. “Bij patiënten met overgewicht kan bijvoorbeeld een internist de patiënt begeleiden bij een streng dieet. Het voordeel van ons zorgpad is niet alleen de snelheid, maar ook een interdisciplinaire, veel intensievere samenwerking.”

Michael Stikkelorum snurkt en heeft slaapapneu. Via zijn huisarts meldde hij zich voor het nieuwe zorgpad van het LUMCen twee weken later had hij een behandeladvies: een bitje voor ’s nachts en een dieet. “Ik val in een risicogroep.”

‘Vooral dat dieet vind ik belangrijk’

Apneu komt vooral voor bij mannen boven de veertig met overgewicht. Wat dat betreft past Stikkelorum (41) in het profiel van de ‘gemiddelde apneupatiënt’.

“Ik snurk al een aantal jaren. Maar op een gegeven moment zei mijn vrouw dat ik af en toe stop met ademhalen. Dat zal ze wel gedroomd hebben, dacht ik eerst. Maar na een paar keer ging ik er toch wel over nadenken. Ik ben gaan zoeken op internet en vond verschillende websites over slaapapneu en dat mensen dan ’s nachts een mondkapje dragen met een compressortje. Ik hoopte dat dat bij mij niet nodig was.”

Leefstijl

Net als Stikkelorum snurkt eenderde van de Nederlandse mannen. Ongeveer anderhalf procent van hen heeft meer dan vijf ademstops per uur. Leeftijd speelt daarbij een rol. Met het klimmen der jaren worden weefsels, ook die in het keel-, neus- en oorgebied, wat slapper, waardoor ze gemakkelijker invallen. Maar ook leefstijl maakt uit. Stikkelorum rookt niet en drinkt niet overmatig, maar hij is wel te zwaar. En dat overgewicht en apneu vaak samengaan, heeft hij inmiddels al gehoord. Hij weegt 120 kilo, terwijl dat eigenlijk rond de tachtig moet zijn. “Ik denk dat het door mijn werk komt, een groot deel van de dag heb ik zittend werk. Maar ik ben ook meer gaan eten en overgewicht zit ook wel in de familie.” Wat de oorzaak ook is, Stikkelorum wil afvallen. Hij deed eerder al verschillende pogingen, maar viel steeds ‘terug in hetzelfde patroon’.

Snel geholpen

Omdat hij zich toch wel zorgen maakt over de nachtelijke ademstops en omdat hij ook van het snurken af wil, meldde hij zich via zijn huisarts op het spreekuur van het apneuzorgpad. “Ik was nog nooit in een ziekenhuis geweest, maar ik ken natuurlijk de verhalen over wachttijden. Toch ging dit allemaal heel snel. Op de eerste afspraak werden er foto’s gemaakt van mijn longen en van mijn hart. Daarna kon ik meteen door naar de kaakchirurg en dan naar de kno-arts. Daar gingen ze met een cameraatje door mijn neus naar binnen. Alles was binnen drie uur geregeld. Ik vond dat ideaal. Normaal gesproken moet je drie verschillende afspraken maken.” Na de afspraak kreeg hij spullen mee om thuis een slaaptest te doen. “Een band om mijn borst, een slangetje in mijn neus en een klipje op mijn vinger om alles te meten.”

Didgeridoo

Na een week had Stikkelorum de volgende afspraak en kreeg hij de uitslag. Zijn apneu is met 29 ademstops per uur ‘matig/ernstig’. Het advies luidt: een mondbitje in combinatie met een streng dieet. “Vooral dat laatste vind ik belangrijk. Volgende week heb ik al een afspraak met de internist die me daarbij gaat helpen.” De veertiger is zeer gemotiveerd na zijn bezoek aan het LUMC. Sinds kort gaat hij twee keer per week naar de sportschool. Daarnaast doet hij aan Kun-tao, een Chinese gevechtsleer. “Dat doe ik al vanaf mijn negentiende, maar de laatste jaren was het minder vaak. Ik moet gewoon weer aan de slag. Met mijn gewicht en die apneu zit ik in een risicogroep. Op internet las ik trouwens dat je door een didgeridoo, zo’n blaaspijp uit Australië, ook van je apneu af kunt komen. Dan train je namelijk het ademhalen door je neus. Maar ik ga toch maar liever eerst afvallen.”           

Top

Kort Nieuws

NEN-certificaat voor promise

Wie zijn patiëntengegevens voor wetenschappelijk onderzoek veilig wil stallen, kan tegenwoordig met een gerust hart terecht bij de sectie Advanced Data Management van Medische Statistiek & Bio-informatica. De nen7511-1-certificering - voor beveiliging van zorg-ict – heeft deze afdeling namelijk binnen; en dat geldt ook voor datamanagement-systeem promise én alle projecten die daaronder (zullen) vallen. “Dat zijn er nu meer dan honderd”, vertelt prof. dr. Ronald Brand. Goed nieuws dus ook voor onderzoekers elders die hun data bij promise onderbrengen.

Op 6 mei kwam Lloyd’s Register Quality Assurance het certificaat officieel overhandigen. Het was de eerste keer dat een academische afdeling zo’n nen7511-certificaat ontving.  “Lloyd’s is een organisatie die controleert, ze geven dus geen adviezen”, legt Brand uit. “Maar door de vragen die ze stellen, word je op jezelf teruggeworpen en ben je gedwongen na te denken over je manier van werken.” Het werken aan de nen-certificering duurde ongeveer een half jaar. En het is veel meer – en leuker - dan het invullen van een boekwerk, vindt de hoogleraar. “Ik ging er vanuit dát we al veilig werkten en dat er vooral veel papierwerk aan te pas zou komen, maar we hebben ook een aantal echte verbeteringen doorgevoerd.” Een paar voorbeelden: voor het inloggen in promise is nu in veel gevallen naast een wachtwoord ook een code nodig die per sms verstuurd wordt – net als bij internetbankieren of thuiswerken via Citrix. Alle dataschijven zijn versleuteld, waardoor het zelfs na diefstal of verlies praktisch onmogelijk is om ze te lezen. promise-klanten krijgen nu maandelijkse updates over toegang, gebruik en autorisaties. Maar ook meer alledaagse maatregelen: de vijftien medewerkers doen verplicht hun deur én beeldscherm ‘op slot’, zelfs als ze even naar het toilet gaan. En alle medewerkers en bezoekers tekenen standaard een geheimhoudingsverklaring.

Bij het certificeringstraject hoorde een uitgebreide risicoanalyse. Brand toont een dik boekwerk. “Alle onderdelen van onze organisatie – van personeelsbeleid tot usb-sticks – staan erin. Voor elk onder-deel is een schatting gemaakt van het risico én de schade die opgelopen kan worden.” Het gaat niet om het uitbannen van ieder risico, benadrukt Brand. “Dat is ook onhaalbaar. Het gaat erom dat je aantoonbaar je uiterste best doet om de risico’s zo klein mogelijk te houden. En dat je afweegt welke risico’s je nog acceptabel vindt.” (DdV)

Prof. Ronald Brand (rechts): “We hebben echte verbeteringen doorgevoerd”

Statistische master

Er is al jaren een groot tekort aan biostatistici. Een masterstudie om biostatistici op te leiden was er in Nederland echter nog niet. Vorig jaar september kwam daar verandering in: toen startten de eerste acht studenten met de zogenoemde ‘masters track’ Statistical Science for the Life and Behavioural Sciences. Heel veel bachelorstudies kwalificeren voor deze tweejarige master, bijvoorbeeld Psychologie, Biomedische wetenschappen, Wiskunde en Econometrie. “Maar een geneeskundestudent die iets extra’s met statistiek heeft gedaan, bijvoorbeeld uit het Master Plus-programma, is ook zeer welkom”, vertelt prof. dr. Theo Stijnen (Medische Statistiek). Samen met prof. Willem Heiser van de faculteit Sociale Wetenschappen en prof. Richard Gill van Wiskunde en Natuurwetenschappen nam hij een paar jaar terug het initiatief tot deze master. “Al snel hebben we ook de Vrije Universiteit, het vumc, de Universiteit Wageningen en het Erasmus mc erbij betrokken, zodat het iets landelijks werd.” De betrokkenen hebben veel inspanningen geleverd – zónder dat het ze direct iets opleverde. “Er is geen compensatie voor de afdelingen en docenten die hieraan meewerken”, legt Stijnen uit. “We doen het puur vanuit de noodzaak om nieuwe biostatistici op te leiden.”

Het bleek organisatorisch het eenvoudigst om de ‘masters track’ onder te brengen binnen de master Wiskunde. “Ook omdat een master daar standaard al twee jaar duurt – dat wilden wij ook graag. Maar ondanks die inbedding bij de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen verzorgt de afdeling Medische Statistiek van het LUMCongeveer de helft van het onderwijs”, voegt Stijnen daaraan toe. De cursussen worden gegeven in het Mathematisch Instituut van de Universiteit Leiden. Formeel leidt de masters track – omdat die binnen de master Wiskunde valt – op tot wiskundige, met als aantekening Statistical Sciences. “Maar statistiek is toch een heel eigen vakgebied”, vindt Stijnen. “Met de standaard master wiskunde heeft het eigenlijk niet zoveel te maken. Er zijn ook geen overlappende vakken en bijna geen van de docenten van Wiskunde geeft les in deze masters track”

Bachelor-studenten met een interesse in statistiek kunnen informatie over de opleiding vinden op www.math.leidenuniv.nl/statscience. “Het is een mooi vakgebied dat volop in beweging is en waarin de banen voor het oprapen liggen”, zegt Stijnen. Dikke kans dus dat er volgend jaar heel wat meer studenten aan deze master beginnen. (DdV)           

Top

Tien jaar je BeSt doen voor onderzoek

Na tien jaar is Jan van der Hulst (72) de eerste deelnemer die uitstroomt uit de best-studie, een onderzoek naar de behandeling van reumatoïde artritis. Dat wordt gevierd met bloemen, taart en een medaille. Reumatoloog dr. Renée Allaart: “Dankzij de deelnemers veranderde reuma van een chronische aandoening in een potentieel te genezen ziekte. We zijn ontzettend trots op ze.”
Door Masja de Ree - foto Marc de Haan

59 bezoeken aan het LUMC heeft hij erop zitten, maar zwaar vond Jan van der Hulst het niet. Elke twee maanden, nog iets vaker dan de meeste deelnemers aan de best-studie, stapte hij op de fiets en reed vanuit Warmond naar het LUMC. Daar wachtten onderzoeksverpleegkundigen Atie of Agnes – “het zijn echt schatten” – met een vragenlijst van drie kwartier en een lichamelijk onderzoek. Regelmatig werd bloed afgenomen, een röntgenfoto gemaakt of een botmeting gedaan. Het gaat inmiddels goed met Van der Hulst: “Ik ben tien jaar geleden begonnen met pijn. Die is over.”

De best-studie startte in maart 2000. In tweeënhalf jaar tijd zijn 508 patiënten uit twintig ziekenhuizen in de regio West Nederland ingesloten. Zij hadden allemaal net te horen gekregen dat ze reuma hadden. Het antwoord op de vraag naar de beste behandeling van reumatoïde artritis staat inmiddels vast. Voor het beste resultaat met de minste bijwerkingen moet je direct na de diagnose starten met een combinatie van medicijnen: het ‘standaard’ reumamedicijn methotrexaat en een effectieve ontstekingsremmer, prednison óf anti-tnf. Het blijkt belangrijk de behandeling krachtig te beginnen. Daarnaast vergaat het patiënten beter als je de medicatie blijft aanpassen op basis van hun das-score, een rapportcijfer gebaseerd op de mate van zwelling van de gewrichten, de pijn, het bloedbezinksel en hoe de patiënt zelf vindt dat het gaat. Allaart: “Dat lijkt logisch, maar in de praktijk gebeurt het lang niet altijd. Wij vinden dat de das-score altijd onder de 2.4 moet zijn. Het kan zelfs beter: de helft van onze patiënten komt in remissie, wat betekent dat de ziekte niet meer meetbaar actief is.” Baanbrekend was ten slotte de ontdekking dat het uiteindelijk vaak mogelijk is de medicatie helemaal stop te zetten.

Beter worden

In tien jaar tijd haakte een kwart tot een derde van de deelnemers aan de best-studie af – dat is een klein deel voor zo’n lange studie. Hoe komt dat? Voor onderzoekers is dat een belangrijke vraag, die nooit goed onderzocht is. “We deden onze best om de mensen betrokken te houden”, zegt Allaart. “Door kleine cadeautjes en nieuwsbrieven te sturen, informatiedagen te organiseren. Aan de andere kant: we vroegen ze het hemd van het lijf, niet alleen naar lichamelijke klachten, ook naar bijvoorbeeld inkomen en ziekteverzuim. Maar mensen bleven meedoen, ook als ze beter waren.” Om dit succes te verklaren, vragen de onderzoekers de deelnemers na tien jaar een laatste lange vragenlijst in te vullen naar hun motivatie. Jan van der Hulst miste geen afspraak: “Ik heb nooit getwijfeld, ik kon er alleen maar beter van worden.”

Prednison en anti-tnf zijn heftige medicijnen met kans op de nodige bijwerkingen, maar de klachten zijn ook heftig, benadrukt Allaart. “Omdat reuma niet meer zo invaliderend is als vroeger, wordt dat weleens onderschat. Maar als je als kok niet meer kunt staan, of als moeder je kind niet meer kunt tillen, dan heeft dat een enorme impact op je leven. Het was, ook in mijn praktijk, zo normaal om mensen een medicijn te geven en dan drie maanden af te wachten - de tijd die methotrexaat nodig heeft om te gaan werken. Achteraf gezien vind ik die instelling arrogant. Patiënten hebben recht op snellere verbetering.” Dankzij deelnemers aan de best-studie is niet alleen de manier waarop reuma behandeld wordt, maar ook de kijk op reuma veranderd. Allaart: “Reuma is niet langer een chronische, maar een acute, potentieel te genezen ziekte. Als je maar op tijd optreedt.” Een nieuwe studie moet uitwijzen of nóg vroeger behandelen, bij de eerste tekenen van gewrichtsontsteking, tot nog meer genezingen leidt.     

Renée Allaart: ‘We vroegen ze het hemd van het lijf’

Top

Geen baan maar een loopbaan

“Een groter percentage van de jongeren binnenhalen en behouden voor de zorg.” Zo formuleert Gerard Regter het doel van de Zorg Academie Leiden. Regter is directeur van dit nieuwe instituut, een samenwerkingsverband van het LUMC(als onderwijsinstelling), de Hogeschool Leiden en het roc Leiden. Op 20 april werd het bezoekers- en informatiepunt van de Zorg Academie geopend.

Binnen de Zorg Academie wordt het eenvoudiger om over te stappen van mbo- naar hbo-niveau en andersom. Als een opleiding te moeilijk of te makkelijk blijkt, haakt de student nu vaak af. In het nieuwe systeem kan hij binnen drie maanden terecht op het lagere of hogere niveau. Het eerste project is de ontwikkeling van één opleiding tot verpleegkundige niveau 4 en 5, met subsidie van het ministerie van oc&w. In september 2011 zal het eerste leerjaar van deze opleiding van start gaan.

Alles wat hij ontwikkelt legt Regter voor aan een aantal instellingen van de praktijk: het LUMC,Topaz (verpleeghuiszorg), Activite (thuiszorg) en Rivierduinen (ggz). En dat zijn niet de enige instellingen waarmee hij contacten onderhoudt. Zo kan de Zorg Academie de aansluiting op de praktijk bevorderen. In de uitwerking van de plannen werken docenten van de drie onderwijsinstellingen van het begin af aan samen. Iedere nieuwe cursus of onderwijsvorm wordt geëvalueerd. “We zorgen dat we kunnen meten of het doel gehaald is en of het werkt”, zegt Regter.

De Zorg Academie heeft een duidelijke visie op opleiden. Die houdt in: het ontwikkelen van competenties bij studenten op verschillende niveaus, rekening houdend met verschillende ambities en steeds in nauw contact met de praktijk. Als de student klaar is en gaat werken, is daarmee het leertraject niet afgelopen. Wie in de zorg werkt wil misschien na verloop van tijd iets anders. De Zorg Academie biedt dan een breed scala aan vervolgopleidingen die aansluiten op eerder behaalde diploma’s en ervaring.

Er komen ook nieuwe opleidingen waar in de praktijk behoefte aan is. Bijvoorbeeld voor assistent-fysiotherapeut. Nu worden fysiotherapeuten in instellingen geassisteerd door mensen met een andere opleiding. De nieuwe opleiding is een keuzemogelijkheid in het vierde jaar van de mbo-opleiding ‘sport en bewegen’. “Op die manier trek je mensen de zorg in, die daar misschien in eerste instantie niet aan dachten”, aldus Regter. Dat zal nodig zijn, denkt hij. “Er zullen vooral door de vergrijzing op alle niveaus tekorten ontstaan. De instellingen zijn zich daarvan bewust. Zij willen mensen aantrekken, niet voor een baan maar voor een loopbaan.” (MvB)     

Top

Zorgelijke ziektekiemen

Het televisieprogramma Zembla wijdde er een alarmerende uitzending aan. En sommigen noemen het al de opvolger van de mrsa-bacterie: de  ESBL-vormende bacterie. “Het is inderdaad een sinds jaren groeiend probleem, dat we zeer serieus moeten nemen”, zegt dr. Sandra Bernards (Medische Microbiologie).

De  ESBL-vormende bacterie is niet één soort bacterie, zoals mrsa dat wel is. Verschillende soorten bacteriën kennen  ESBL-vormende exemplaren. Hun truc is het maken van enzymen (Extended Spectrum Bèta-Lactamase) die de werking van bepaalde antibiotica blokkeren. Veelgebruikte bacteriedodende middelen, zoals penicilline, werken daardoor tegen deze bacteriën niet meer.

“Maar dat is nog niet het hele verhaal”, zegt Bernards. “Deze  ESBL-vormende bacteriën zijn in de praktijk vaak ook resistent tegen andere antibiotica.” Dat komt doordat bacteriën de kunst beheersen heel flexibel genen uit te wisselen. Dat doen ze via plasmiden, ringvormige stukjes DNA. Op plasmiden hopen zich vaak genen op die voor resistentie zorgen. Wat daarbij meespeelt is de plaats waar  ESBL-vormende bacteriën zich meestal ophouden: de darmen. Darmen zijn een broeinest van allerlei soorten bacteriën, alle gelegenheid dus voor  ESBL-vormers om van andere bacteriën extra resistentiegenen op te pikken.

Ook in het LUMC is de boosdoener al aangetroffen. “Patiënten met een  ESBL-vormende bacterie gaan direct in contactisolatie, bij voorkeur in hun eigen kamer. De verzorgers dragen beschermende kleding, maar de veiligheidsmaatregelen zijn iets minder streng dan bij mrsa. Die bacterie wordt soms via de lucht overgedragen, terwijl  ESBL alleen van mens op mens kan overgaan via huidcontact.”

Volgens schattingen is 6 procent van de ziekenhuispatiënten  ESBL-besmet. Meestal merk je hier niets van, maar soms veroorzaakt de bacterie een infectie, meestal aan de urinewegen. “Er komen hier bijvoorbeeld patiënten die door de huisarts zijn doorgestuurd met een hardnekkige blaasontsteking. Wij testen dan op antibioticagevoeligheid en soms blijkt het om een  ESBL-vormende bacterie te gaan.” Gelukkig is één soort antibiotica meestal nog wel effectief tegen  ESBL-bacteriën: de bètalactam-antibiotica. “Patiënten moeten dan wel aan een infuus, terwijl het eigenlijk een simpele urineweginfectie is die normaal met een pillenkuur te genezen zou zijn”, aldus Bernards. Zij heeft nog niet meegemaakt dat bacteriën op geen enkel type antibiotica meer reageren. In landen als Griekenland en Portugal, waar het ESBL-probleem vanwege frequent antibioticagebruik nog veel groter is, komt dat al wel voor. Dan kan alleen nog worden afgewacht tot de infectie vanzelf overgaat of de patiënt overlijdt. “India is wat dat betreft helemaal berucht. Omdat de hygiëne er te wensen over laat, verspreidt de bacterie zich daar veel sneller.”

In ons land wordt ondertussen met de beschuldigende vinger naar de intensieve kippenhouderijen gewezen. Waar Nederland vergeleken met andere landen terughoudend is met het voorschrijven van antibiotica aan mensen, zou ons vee juist baden in de antibiotica.  ESBL-vormende bacteriën kunnen hierdoor worden uitgeselecteerd. Bernards: “Een deel van het vlees in de winkels is inderdaad besmet. Het staat echter nog niet onomstotelijk vast dat kippen de bron zijn van alle kwaad. Maar in de veeteeltsector realiseert men zich nu terdege welke risico’s er kleven aan het gebruik van grote hoeveelheden antibiotica, en worden er maatregelen genomen.” De arts-microbioloog heeft dan ook goede hoop dat de resistentie in de toekomst weer afneemt. “Het is voor bacteriën niet gunstig om veel energie te moeten stoppen in resistentie. Zonder grote druk van antibiotica zijn niet-resistente bacteriën daardoor in het voordeel. Zij zullen dan dus weer toenemen ten koste van de resistente exemplaren.” (RH)

Top

Toen en Nu

Haar vader vond dat ze maar Diëtetiek moest gaan studeren – ze was tenslotte altijd zo bewust met eten bezig. Zelf twijfelde ze eerst nog, maar uiteindelijk bleek het de goede keuze. Na werken met dikke kinderen en met gevangenen werkt diëtist Eefje van Leeuwen (26) nu met veel plezier in het LUMC. “Je ziet hier veel patiënten met niet veel voorkomende aandoeningen.”

door Christi Waanders - foto Arno Massee

Bezig met eten

TOEN iets meisjesachtigs

NU diëtiste 

Was je als kind al met eten bezig?

“Ik was een echt meisjes-meisje. Ik weet niet meer precies wat ik wilde worden. Waarschijnlijk kapster of stewardess. Het woord ‘diëtiste’ kwam in ieder geval nog niet in mijn vocabulaire voor.

Op de middelbare school was ik al erg sociaal ingesteld. Mijn voorkeur ging uit naar de zorg. Ik had een bèta-pakket met vakken als scheikunde en biologie. Pas in de vierde klas van de havo werden mijn ideeën over een mogelijk beroep wat concreter. Mijn vader kwam met het idee om na de middelbare school Diëtetiek te studeren. Hij vond dat bij me passen omdat ik altijd heel bewust met eten bezig was. Een hele goede suggestie. Ik dacht zelf aan ergotherapie of fysiotherapie. Maar ik twijfelde. Ik wilde namelijk graag met mensen werken maar het fysieke aspect sprak me minder aan. Ik ben toen aan de Haagse Hogeschool Diëtetiek gaan studeren. En dat was de juiste keuze. Dit vak heeft alles wat ik belangrijk en interessant vind. Het heeft een sociale kant, maar ook een voedingskundige, waarin scheikunde en biologie naar voren komen. En dan maak je ook nog de vertaalslag naar ziekten die mensen hebben. Echt een uitdaging.”

En toen aan de slag?

“In het begin heb ik veel losse klussen gedaan, vaak freelance werk. Zo heb ik bij een organisatie gewerkt waar veel allochtone kinderen met overgewicht werden begeleid. Dat was geweldig leuk werk. En ik heb bijvoorbeeld ook in het hospitaal van de gevangenis van Scheveningen gewerkt. Gedurende een jaar behandelde ik gemiddeld een paar patiënten per week. Natuurlijk was de eerste keer wel even spannend, maar het wende snel. Je doet gewoon je werk. Ik zocht ook nooit op wie wie was. Daarbij kreeg ik altijd de eerste letter van de voornaam en de gehele achternaam. In de krant lees je juist de voornaam en de eerste letter van de achternaam. Een keer schrok ik wel toen ik me ter plekke realiseerde wie ik tegenover me had. Nee, ik mag niet vertellen wie. Ook als diëtiste heb je je beroepsgeheim. Maar ook als je schrikt, blijf je professioneel. Voor mij zijn het patiënten die ik een passend advies moet geven. Verder merk je al snel dat ze via jou proberen om ander of meer eten te krijgen. Het aanbod in een gevangenis is natuurlijk beperkt.”

Waarom kan de dokter niet gewoon vertellen wat een patiënt moet eten?

“Een diëtiste weet nou eenmaal beter hoeveel koolhydraten er in een boterham zitten. Zij kan een patiënt een op maat gesneden advies geven. Dat is ook het leuke in mijn baan bij het LUMC. Je werkt in een multidisciplinair team, waar iedereen zijn aandeel levert in de zorg rondom een patiënt. Ik maak onderdeel uit van een team dat dialysepatiënten behandelt. Daarin werk ik nauw samen met artsen, maatschappelijk werkers en verpleegkundigen. Verder werk ik op de verpleegafdeling Interne Geneeskunde en heb dan vaak te maken met oncologiepatiënten. Het mooie op die afdeling is dat je patiënten lang kunt volgen, gedurende het hele traject.”

Doe je zelf wel eens aan de lijn?

“Ach ja, die lijn. Daar denkt iedereen meteen aan als ik over mijn beroep vertel. Op verjaardagen gaat het dan meteen over gewicht. Als de hapjes langs komen kijkt iedereen naar mij en vraagt ‘Eefje, mag ik dit eten?’ of ‘Hoeveel calorieën is dit?’. Men heeft nu eenmaal een bepaald beeld bij dit beroep. Nou moet ik zeggen dat het best moeilijk is om slank te blijven. Ik ben natuurlijk de hele dag met eten bezig. Dan krijg je vanzelf trek. En ja, natuurlijk zijn er diëtistes die wat zwaarder zijn. Het grappige is dat ik in mijn werk nooit met overgewicht bezig ben. De patiënten die ik begeleid moeten juist op gewicht blijven.”

Is dit de baan van je leven?

“Ik werk sinds februari 2007 in het LUMC,met ontzettend veel plezier. Dit is wat ik wilde. De uitdaging van een academisch ziekenhuis geeft meerwaarde aan mijn baan als diëtiste. Bij patiënten in algemene ziekenhuizen en verwezen vanuit de huisartsenpraktijk heb je toch vooral te maken met te hoog cholesterol, overgewicht, hypertensie of diabetes. Patiënten met ongebruikelijke, niet veel voorkomende aandoeningen komen naar het academisch ziekenhuis. Dat zorgt voor afwisseling in mijn werk, steeds weer nieuwe dingen. Meer dan genoeg uitdaging dus voor de komende jaren.”

Top

Zonder gen gezonder af

Schakel een gen uit en leef langer, gezonder, slanker en slimmer. Voor muizen is het haalbaar: het p66 Shc-gen is bij hen de boosdoener die voor deze gunstige effecten uit de weg geruimd moet worden. Maar is het effect louter positief? Of geldt ook hier de wet van behoud van ellende...?
Door Willy van Strien

Per toeval werd ruim tien jaar geleden ontdekt dat het gen p66Shc het leven bekort. Muizen waarbij het gen was uitgeschakeld leefden aanzienlijk langer dan gewone muizen. De Italiaanse biologe Alessandra Berry had er een aantal jaar voor over om te onderzoeken waardoor deze beestjes langer leefden en wat voor effecten het gen nog meer heeft. Ze deed haar onderzoek deels in Leiden, waar ze ook promoveerde.

Muizen zonder p66Shc verouderen langzamer, is haar conclusie. Ze zijn gezonder, hun afweersysteem functioneert beter, ze gaan beter om met stress, ze hebben een hogere stofwisseling en zijn slanker, dapperder en nieuwsgieriger, ze zijn minder gevoelig voor pijn en slimmer dan gewone muizen – en de meeste verschillen treden al op als de muizen net volwassen zijn.

De oorzaak van de verschillen is complex. Het gen p66Shc is verantwoordelijk voor een eiwit dat betrokken is bij de productie van zuurstofradicalen. Die spelen een rol bij apoptose, de geprogrammeerde dood van ontspoorde cellen. Zuurstofradicalen richten echter ook schade aan in gezonde cellen en vooral de hersenen zijn daar gevoelig voor. Behalve bij de productie van zuurstofradicalen speelt het p66Shc-eiwit ook een rol bij de energiehuishouding en heeft het invloed op vooral het emotionele gedrag. Gedrag en energiehuishouding hangen overigens met elkaar samen. Muizen zonder p66Shc hebben bijvoorbeeld vanwege hun hogere stofwisseling meer voedsel nodig en zijn mede daarom ondernemender.

In elk geval: muizen lijken beter af te zijn zonder dit gen. Geldt dat voor mensen ook? En waarom is het dan in de loop van de evolutie niet verdwenen?

“Muizen zijn zonder p66Shc inderdaad beter af – tenminste, muizen die leven in het lab, waar voldoende voedsel is en geen gevaar”, zegt Berry. “Buiten, waar vaak voedselschaarste is en roofdieren op de loer liggen, doen muizen mét het gen het waarschijnlijk beter. Die hebben minder voedsel nodig en zijn voorzichtiger. Daarom is dit ‘zuinige’ of ‘thrifty’ gen blijven bestaan.” Dezelfde evolutionaire verklaring wordt geopperd voor de typische ouderdomsziekten van de welvaartsmaatschappij zoals diabetes en hoge bloeddruk: die ontstaan doordat we zijn toegerust om te overleven bij schaarste.

Berry ontdekte ook dat p66Shc betrokken is bij een optimale voortplanting, wat vooral weer tot uiting komt in moeilijke omstandigheden. Ze fokte een muizenstam mét en een muizenstam zonder p66Shc. Aanvankelijk raakten vrouwtjes zonder het gen even makkelijk zwanger als vrouwtjes met het gen. Maar nadat ze al een paar nesten hadden gehad werd de kans op zwangerschap kleiner, waarbij die kans voor p66Shc-loze vrouwtjes sneller afnam. Ook kregen minder van deze vrouwtjes jongen als ze stress ondervonden. Muizenmoeders zonder het gen hadden bovendien meer de neiging om jongen te doden en op te eten en ze zorgden minder goed voor hun kleintjes doordat ze vaker zelf gingen eten en drinken. Het gen lijkt daarmee ook te voldoen aan een tweede evolutionaire verklaring voor veroudering: genen die een positief effect hebben op groei en vruchtbaarheid blijven behouden, ook al hebben ze ongunstige effecten op latere leeftijd.

De wat mindere moederzorg zal de p66Shc-loze muisjes voorbereiden op een hard leven, vermoedt Berry, en dat verklaart misschien mede hun dappere en onderzoekende aard en waarom ze zo goed met stress om kunnen gaan. Waarmee de samenhang tussen al die eigenschappen tijdens het opgroeien versterkt wordt.     

Alessandra Berry promoveerde op 21 april bij prof. dr. Ron de Kloet op haar proefschrift Oxidative stress, neuroendocrine function and behavior in an animal model of extended longevity.

Robert van Tongeren "Fundamenteel onderzoek wordt overgewaardeerd ten koste van toegepast onderzoek."

Top

Hartstamcellen voor medicijntest?

In de rubriek ‘Blijvertje’ portretteren we een promovendus die na zijn promotie in het LUMC blijft werken
Stefan Braam (26) raakte tijdens zijn master Biomedische Wetenschappen geïnteresseerd in stamcellen. Hij begon zijn promotieonderzoek in Utrecht bij prof. dr. Christine Mummery. In 2008 verhuisde hij met haar mee naar het LUMC. Onlangs promoveerde hij cum laude. Braam is een van de oprichters van de LUMC-spin-off Pluriomics. Dat biotech-bedrijfje gaat zich richten op het ontwikkelen en testen van medicijnen op hartspiercellen. Dat werkt beter en er zijn  minder proefdieren nodig.

Door Raymon Heemskerk foto Marc de Haan

“We gebruiken menselijke stamcellen die vijf dagen na de bevruchting ontstaan. Dat zijn stamcellen die nog alle soorten cellen kunnen worden, maar wij waren vooral geïnteresseerd in hartcellen”, vertelt Stefan Braam (Anatomie & Embryologie) over de basis van zijn promotieonderzoek. Hij wilde die cellen geschikt maken om medicijnen op te testen. Daarvoor moesten er wel eerst een aantal technische problemen worden opgelost. Braam: “We kwamen erachter dat de cellen zich rangschikken als een stapel pannenkoeken. Om goed door te kunnen groeien moeten ze steeds losgesneden worden en in stukjes verdeeld worden.” Dat is veel werk, daarom paste de promovendus de kweekmethode aan, zodat de cellen nu netjes naast elkaar doorgroeien. Daarna kweekte hij de cellen verder op tot modelhartspiercellen waarop medicijnen getest kunnen worden. Bijzonder aan hartspiercellen is dat ze kunnen kloppen: samentrekken als reactie op een elektrische impuls. Voor er een nieuw medicijn op de markt komt moet dan ook goed worden getest of dit deze belangrijke hartfunctie niet verstoort. Dat gaat niet altijd goed, getuige bijvoorbeeld het schandaal met de ontstekingsremmer Vioxx, die ernstige hartritmestoornissen bleek te veroorzaken. Met proefdieronderzoek kan er blijkbaar nog weleens een medicijn doorheen glippen. Braam: “Als een medicijn van de markt wordt gehaald komt dat in 28 procent van de gevallen door bijwerkingen op het hart.” Braam hoopt daar verbetering in te brengen. “We hebben nu twaalf medicijnen getest op onze modelcellen en het blijkt dat we goed kunnen voorspellen of een medicijn inwerkt op de elektrofysiologie van het hart.” Hij werkt nu verder aan het verbeteren van het hartmodel. “Het hart is een soepele structuur en dat proberen we nu nog beter na te bootsten.”

Inmiddels staat het bedrijf Pluriomics in de startblokken, dat zich op het testen van medicijnen op gekweekte hartspiercellen gaat richten. Het idee voor een bedrijf dat hartspiercellen ontwikkelt om medicijnen op te testen had Braam al langer, maar werd serieus toen hij hiermee vorig jaar de ngi venture challenge won.“Je merkt dat er in het LUMCpositief op gereageerd wordt. Ik denk dat dit een mooi voorbeeld is van hoe een commerciële en een academische insteek elkaar positief kunnen beïnvloeden”, aldus Braam. Hij wordt waarschijnlijk de eerste medewerker van het in het begin vooral virtuele bedrijf dat nu in oprichting is. “We zijn nu met verschillende partijen in onderhandeling en werken aan de financiering.”

Top

Verder promoveerden

Michael Inouye, 20 april: Algorithms and Analysis of Human Disease Genomics. Promotoren: prof. Gert-Jan van Ommen (Humane Genetica) en prof. L. Peltonen (Cambdrige, uk). Over methodes om genexpressie te analyseren.

Lenneke van Hooijdonk, 20 april: Glucocorticoid receptor knockdown and adult hippocampal neurogenesis. Promotor: prof. Ron de Kloet. Over de effecten vam stresshormonen op de hersenen.

Robert van Tongeren, 22 april: Experimental therapeutic strategies in restenosis and critical limb ischemia. Promotor: prof. Hajo van Bockel (Heelkunde). Over experimentele behandelingen van vaatvernauwing.

Annetje de Rooij, 27 april: Genetic and epidemiological aspects of Complex Regional Pain Syndrome. Promotor: prof. Bob van Hilten (Neurologie). Over factoren die bijdragen aan het ontstaan van crps.

Huub van Rossum, 27 april: Pharmacodynamic monitoring of calcineurin inhibition therapy. Promotor: prof. Hans de Fijter (Nierziekten). Over therapieëen om de afstoting van donororganen tegen te gaan.

Stefan Braam, 28 april: Human embryonic stem cells: advancing biology and cardiogenesis towards functional applications. Zie hierboven.

Samyra Keus, 29 april: Physiotherapy in Parkinson’s disease. Promotoren: prof. Raymund Roos (Neurologie) en prof. B.R. Bloem (umc st. Radboud). Over fysiotherapie bij Parkinsonpatiënten.

Gerthe Veen, 29 april: Dynamics of cortisol in depression and anxiety disorders. Promotor: prof. Frans Zitman. Zie pag. 4-5.

Laurence Trannoy, 12 mei: Pathogen inactivation in cellular blood products by photodynamic treatment. Promotor: prof. Anneke Brand (Immunohematologie). Over het ontsmetten van bloedproducten met een fotodynamische behandeling.

Michiel de Maat, 12 mei: Clinical applications of DNA methylation in gastrointestinal cancers. Promotoren: prof. Cock van de Velde en prof. Rob Tollenaar (beiden Heelkunde). Over het behandelen van maag-darmkanker aan de hand van dna-kenmerken.

Top

Colofon

Cicero is een uitgave van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). Cicero wordt geproduceerd door het directoraat Communicatie. Overname van artikelen, met bronvermelding, is toegestaan na toestemming van de directeur Communicatie of diens plaatsvervanger. Oplage: 9.000. ISSN 0920-2900

Redactie: Mieke van Baarsel; Raymond Heemskerk; Diana de Veld; Christi Waanders. EindRedactie: Diana de Veld

Aan dit nummer werkten mee: Jan Hein van Dierendonck; Dick Duynhoven; Astrid Hageman; Menno Kröse; Sandrine van Noort; Masja de Ree; Willy van Strien; Arie den Draak

Fotografie: Marc de Haan; Arno Massee; Dirk Ketting (omslag); Studio Tom Haartsen (pagina 28)

Redactieraad: Kees Bartlema – DIV. 1; Jaap Fogteloo – DIV. 2; Sicco Scherjon – DIV. 3; Tom Hammer (voorzitter) – DIV. 4; Roeland Dirks – DIV. 5; Ruud Kukenheim – directeuren; Eldrid Bringmann – DOO; Martie van Beuzekom – ; verpleegkundige adviesraad: Banne Németh – M.L.F.S.; vormgeving en Layout: Tigges strategie concept & ontwerp, Rijswijk Prepress en druk: Groen Media Services 

CONTACT
Directoraat Communicatie,
Postbus 9600, 2300 RC Leiden
071-5268005, fax 071-5248134
cicero@lumc.nl

Top

Uit de kunst

Naderend onheil

Ronald Versloot (1964) combineert in zijn werk de schilderkunst met de linoleumsnede. In een geschilderd decor van een landschap of interieur laat hij figuren optreden die hij met de linosnede heeft verkregen. De linofiguren zijn afgebeeld als silhouet; anoniem, vaak alleen vanaf de rug te zien. Ze zijn als acteurs die een rol spelen in een raadselachtige vertelling. Versloot laat zich inspireren door boeken en films, maar ook door romantische schilders uit het begin van de negentiende eeuw. Hij kiest fragmenten uit beelden die hem aanspreken en gebruikt ze voor zijn eigen werk. Terugkerend gegeven zijn de vrouwen gekleed in statige lange rokken en mannen met hoed. Het zijn beelden die hem bevallen omdat ze zijn werk een melancholische lading geven. Ronald Versloot wil met zijn schilderijen en tekeningen de toeschouwer verleiden. Hij nodigt mensen uit zijn voorstellingen binnen te treden. Hij lokt ze met een geruststellend tafereel om ze vervolgens, met dieper getekende lagen, te confronteren met thema’s als eenzaamheid en verlies.

Naast schilderijen maakt Versloot ook tekeningen met pastelkrijt, zoals het werk hier afgebeeld. Met zwart krijt tekent hij mensen, verwikkeld in een handeling. Het zijn dreigende tekeningen van naderend onheil. Steeds lijkt het alsof we het moment vlak voor of na een dramatische gebeurtenis zien. (SvN)     

Ronald Versloot, Zonder titel, pastel op papier, 96 x 64 cm, 2007- De kunstwerken in deze rubriek zijn onderdeel van de kunstcollectie van het LUMC.


Top



Downloads